Nieuwsbrief 2017

Zijn wij werkelijk zo veel slimmer dan de groene planten?

 

Onze kijk op de plaats van de mens in deze wereld is de afgelopen eeuwen grondig veranderd. Met de ontwikkeling van de wetenschap zijn we anders gaan kijken naar wie we zijn en wat onze plaats, onze rol in deze wereld is. Copernicus en Galilei hebben ons geleerd dat we niet het centrum van het zonnestelsel zijn en nog minder van het universum (als dat al een middelpunt heeft). Maar ook hier op aarde hebben Darwin en Freud elk op hun wijze bijgedragen aan het onttronen van de mens als centrum en doel van de schepping. Wat mij betreft zijn E.O. Wilson met zijn Sociobiologie en Frans de Waal met zijn vele boeken over het gedrag van apen voortgegaan op dit boeiende pad. Een pad waarvan ik intuïtief wist dat het  bestond, maar dat zij voor mij als werkelijkheid open legden.

 

Het afgelopen halve jaar heb ik twee boeken gelezen die mijn kijk op de wereld nog eens verder tot bescheidenheid hebben gebracht: ‘Botanische revolutie. De plantenleer van Charles Darwin.’ van Norbert Peters (2016) en als klap op de vuurpijl ‘Briljant Groen. De intelligentie van planten.’ van de Italianen Stefano Mancuso en Alessandra Viola (2017).  Vooral het eerste boek is fascinerend door de vele botanische ontdekkingen die Darwin en zijn zoon ten aanzien van planten en hun gedragingen (!) hebben gedaan en beschreven, waarmee ze feitelijk de stap naar het denken over plantenintelligentie al gezet hebben. Een haast vergeten rol, die eens te meer de grootsheid en wijsheid van Darwin als wetenschapper en als mens onderstrepen. Peters heeft dit gelukkig op een boeiende wijze aan de vergetelheid ontrukt en tegelijk voor mij ook het pad gebaand naar het tweede boek, dat in zekere zin oppervlakkiger is en zelfs enkele storende fouten bevat. Het bevat bovendien, mede door de populariserende stijl, voor mij als afgestudeerd bosbouwer, wetenschappelijk gesproken, weinig echt nieuwe feiten. Toch geeft de heel eigen kijk en benadering aanleiding tot een filosofische paradigma verschuiving van grote betekenis, in elk geval bij mij.

 

De filosofie is naar mijn mening in het algemeen veel te antropocentrisch en navelstaarderig van aard. Misschien niet onbegrijpelijk door zijn oorsprong, maar eigenlijk heeft het mijns inziens het stadium van denken als dat van Copernicus en Galilei veelal nog niet bereikt. Al het gefilosofeer draait nog om de mens en ik ervaar dat als een essentiële beperking. Het besef van zijn volstrekte afhankelijkheid en beperktheid wordt volledig verblind door de trots op zichzelf, op wat we allemaal kunnen bij het beheersen en omvormen van ons eigen bestaan en leefomgeving. Ik begrijp het wel: ook ik ben gegrepen door alles wat we kunnen en begrijpen. En toch draait de wereld niet om ons, we zijn nog te bijziend.
Maar ik zie eveneens de paradox die onze eigen intelligentie feitelijk creëert: Niet alleen hebben we de wereld naar onze hand gezet, met de stikstoffixatie (Haber) voor de kunstmest, die de rem op de bevolkingsgroei heeft weggenomen; met de stoommachine, verbrandingsmotor en kerncentrale, die ons veel extra energie leveren; met de vliegtuigen die ons als vogels los van de grond hebben gemaakt en de raketten die zelfs de ruimte toegankelijk maken. Nee, we kunnen ook reflecteren op onze positie, ons zelfs bewust worden van het feit dat de wereld niet om ons draait, inzien dat we als lemmingen bezig zijn ons bestaan als mens op deze aarde te ruïneren. Maar we kunnen ons kennelijk niet los maken van onze aangeboren drijfveren en we gaan gewoon door op die wonderlijke weg van zelfdestructie, zowel materieel als sociaal. We zien het gebeuren, proberen wel wat bij te sturen, maar het blijven kleine correcties, die niet wezenlijk iets aan onze koers veranderen. Eigenlijk verschillen we op dit punt maar weinig van Tump. Ik kan niet anders dan beamen dat dat ook voor mijzelf geldt. Ik ben deel van die paradox.

 

Het boek over plantenintelligentie zal aan deze situatie weinig veranderen, maar op een bepaalde manier maakt het me wel blij. De groene planten zijn de basis van alle leven. Al het andere leven is daarvan afhankelijk. Wij ook. Dat is een waarheid als en koe en toch lijken we die realiteit in het dagelijkse leven nauwelijks tot ons door te laten dringen. We handelen er nauwelijks naar. We kunnen de groene planten wel voor ons laten werken, maar dat camoufleert alleen onze afhankelijkheid. Feitelijk leven wij voor hen al is dat evolutionair gesproken natuurlijk veel te doelgericht geformuleerd.

 

Planten leven in een andere dimensie. Hun intelligentie werkt anders, maar is zeker niet minder doelmatig en effectief, waarschijnlijk zelfs beter, want veelzijdiger. Die zit in de gezamenlijke groeipunten, vooral van het wortelstelsel, alle wortelpunten samen. Het werkt als een netwerk of zwermintelligentie, zoals dat bekent is van zwermen vogels, scholen vissen en sociale insecten, maar iets wat ook bij modulair opgebouwd internet niet onbekend is. Hoe de plant intern en extern communiceert is maar ten dele bekend, maar effectief is het zeker.

 

Misschien lijkt het alleen oppervlakkig zo verschillend van onze eigen intelligentie. Die ontstaat immers ook in een samenhangend netwerk van verschillende kernen en centra in onze hersenen, als een soort zwerm. Ze zitten alleen wat geconcentreerder bij elkaar. Als we ons hormoonstelsel en ons immuno-geheugen erbij nemen wordt het netwerk al een stuk groter en complexer. De bio-energetica van Reich en Lowe leert dat ook de spieren en het hele lichaam een soort geheugen hebben, dat zo nodig therapeutisch kan worden aangesproken, al is de achtergrond daarvan nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Ik krijg het gevoel dat we ook onze eigen intelligentie op een andere wijze moeten benaderen.
Het leven van veel planten speelt zich veelal af op een andere tijdschaal dan dat van ons. Wat de eendagsvlieg voor ons is, zijn wij voor veel bomen. Ook de processen gaan trager. De neurologische communicatie in onze hersenen door middel van elektrische actiepotentialen en neurotransmitters, stoffen die slechts microscopisch kleine afstanden hoeven te overbruggen, gaat veel sneller dan de voornamelijk chemische informatieoverdracht bij planten, die grotere afstanden moet overbruggen en overigens nog maar ten dele bekend is.

 

Hoe dan ook, door intelligentie vooral te definiëren van uit een probleemoplossend perspectief, kunnen planten niet meer orden uitgesloten, integendeel. De groene planten verdienen onze bewondering en respect. Maar als Mancuso en Viola dat suggereren dat we ook moeten spreken van hun waardigheid en hun rechten dan gaat mij dat te ver. Hoe je het ook went of keert, dat soort ethische en morele begrippen hebben alleen zin en betekenis in een menselijke context. Wij kunnen dat toekennen, desnoods met de kwalificatie ‘intrinsiek’ maar dat verandert niets. Het blijft ons menselijke perspectief en het blijft gaan om de rol die de planten in ons bestaan en voortbestaan spelen. Feitelijk hebben de boeddhistische en taoïstische levensfilosofie en veel natuurgodsdiensten de meest neutrale kijk daarop. Ze hebben respect voor de aarde en de natuur zoals we die aantreffen, al erkennen ze de waarde die het voor de mens heeft, omdat we ons daarvan afhankelijk weten. De drie verwante, uit elkaar voortgekomen monotheïstische religies hebben een meer op bezit, eigendom en exploitatie gebaseerde levensfilosofie. Aarde en natuur zijn er voor ons. Daar overheerst het idee van het zogenaamde ‘rentmeesterschap’ (we moeten wel verantwoord met de aarde omgaan, opdat er voldoende voor ons nageslacht overblijft), maar de utilitaire benadering (van een Godsgeschenk) is het wezenskenmerk. Het rentmeesterschap wordt op zijn best erg minimaal en nogal opportunistisch ingevuld.

 

Persoonlijk wordt ik zeer geboeid door deze nieuwe kijk op de plantenwereld en de filosofische gevolgtrekkingen die daaraan kunnen worden gekoppeld voor onszelf. Het verandert echter weinig aan mijn biologisch gevoede overtuiging, dat wij mensen waarschijnlijk slechts een evolutionaire eendagsvlieg zullen blijken te zijn op aarde. Niet vanwege onze (technische) intelligentie, maar vooral vanwege de ontbrekende (sociale en integrerende) intelligentie. We kunnen uitstekend graven, maar te weinigen beseffen dat we aan ons eigen grafbezig zijn.
Als je dat erg vindt kan je dat doemdenken nemen; maar waarom zou dat erg zijn als je het puur menselijke perspectief loslaat? Als de evolutie ons iets toont en leert dan is het wel de vergankelijkheid van alle levensvormen, maar niet van het verschijnsel leven op zich. Dat bestaat al onafgebroken zo’n 2 of 3 miljard jaar op aarde, in vele, steeds veranderende manifestaties, planten, schimmels, bacteriën en dieren, waaronder de mens. Als mens fascineert me dat. Maar de vlieg die om mijn hoofd zoemt , de eik in het bos of de bacterie in mijn darm zal dat alles waarschijnlijk worst zijn. Ieder leeft in zijn eigen wereld en weet te overleven met zijn eigen intelligentie. Wij ook.