Proces

Albert als louche persoon (op HEMA gebak) Een louche figuur op Hema gebak.

Introductie
Hieronder zijn artikelen en andere beschouwingen te vinden, betreffende mijn proces over de hulp bij zelfdoding die ik in juni 2008 gegeven heb aan mijn moeder Moek van 99 jaar. De hulp zelf was niet bekend buiten de kring van familie en enkele bekenden, haar overlijden werd als 'natuurlijk' beschouwd. Haar zelfdoding was gebaseerd op haar overtuiging dat haar leven haar niets meer te bieden had en meer lasten dan lusten opleverde. Een 'Voltooid Leven', 'Klaar zijn met het leven', 'Levensmoe zijn', 'Lijden aan het leven' of hoe je deze levensfase ook wilt noemen, is geen wettelijke grond voor euthanasie, sinds de Hoge Raad in 2002 had aangegeven dat een arts daarvoor alleen een 'medisch classificeerbare ziekte of aandoening' als rechtvaardiging mocht aanvoeren. Geen onlogische gedachtengang om medici alleen binnen hun werkterrein bevoegd te verklaren, hoe onscherp die afbakening in de praktijk soms ook mag zijn. 'Levensmoe zijn' hoort daar niet bij, al kan een stervenswens soms wel mede uit een ziekte of aandoening voort komen, maar dat is een andere kwestie. Aangezien artsen de enigen zijn die met de aanneming van de 'Euthanasiewet' (WTL) wettelijk bevoegd zijn behulpzaam te zijn bij een stervenswens (door hulp of actieve euthanasie), is er met name voor ouderen die 'klaar met het leven' zijn feitelijk geen ander alternatief dan een vorm van zelfdoding. Door sommigen wordt ook wel gesproken van 'zelfeuthanasie' als het gaat om waardige, weloverwogen individuele methodenvan sterven, ter onderscheiden van de ongewenste, vaak nogal gewelddadige vormen van zelfdoding, die getuigen van een wanhoopsdaad en die sociaal en maatschappelijk behoorlijk ontwrichtend kunnen zijn. Ook versterven, het stoppen met eten en drinken, wordt in dit verband wel genoemd, maar feitelijk is dat geen methode die op een aanvaardbare wijze kan geschieden zonder goede en sederende hulp, waarbij een arts welhaast onmisbaar is. Niet alleen is de arts hier dus ook vrijwel onontbeerlijk, er zijn bovendien artsen die ook dan niet altijd genegen die steun te bieden.
Nu (maart 2018) is het proces bijna 5 jaar gaande. Tijdens alle fasen zijn er allerlei misvatingen en onjuiste beelden ontstaan. Dat is niet vreemd, zeker niet waar het de media betreft maar ook verschillende juristen die commentaar leverden, bleken vaak onvoldoende op de hoogte. Weinigen kennen alle detaila zoals die tenslotte in het dossier zijn opgenomen, dat de basis vormt voor mijn in beschuldiging stelling. Weinigen zullem zich ook de moeite hebben getroost intergraal 
van dit dossier kennis te nemen. Merkwaardig is wel dat ook het OM en laatstelijk het Gerechtshof van Den Bosch dat niet hebben gedaan. Als je de klok niet kent, hoe kun je dan de juiste klepel vinden? Die groeiende kloof tussen fictie en werkelijkheid rond mijn proces wil hier graag aandacht geven. De werkelijkheid waarop ik me hier wil baseren is die welke is vastgelegd in het procesdossier en dus in principe door iedereen te verifiëren. Dat is ook de best beschikbare beschrijvingen van wat er voor, tijdens en na het overlijden van mijn moeder gebeurde. Ik hoop dat dat tot de nodige correcties en bijstellingen zal leiden in de beeldvorming rond mijn proces.

 

2018: Correctie van de beeldvorming rond mijn handelen, op basis van het procesdossier

 

Bewering 1: Het oordeel van de heer Heringa omtrent de wens  en het verzoek van zijn moeder zou wel eens 'vertroebeld' kunnen zijn. (OM in het requisitoir bij de rechtbank en op de TV, voor het begin van het proces in 2013).
Weerlegging: UIt de 9 getuigenverklaringen in het dossier blijkt overduidelijk dat iedereen wist van haar accute stervenswens. Eén daarvan (de tehuis beheerder) geeft ook duidelijk aan, dat mijn moeder wist wat ze wilde en ook niet de regie aan mij uit handen had gegeven. Ook in de documentaire uit mijn moeder zich duidelijk en de uitgeschreven geluidsopnamens van onze gesprekken tonen hetzelfde beeld. Ook blijkt daaruit dat ik niet zonder meer met wens en standpunt ben meegegaan en ik pas actief ben gaan helpen toen duidelijk werd dat mijn moeder het dan maar zelf zou gaan doen met haar eigen (ongeschikte!) middelen. Zie bewering 3.

 

Bewering 2: De hulp die Heringa gaf was mede ingeven door zijn wens de wet aan te vechten en te veranderen. (OM, rechtbank en gerechtshof  Den Bosch).
Weerlegging: Ik wist dat hulp bij zelfdoding strafbaar was toen ik mijn moeder hielp, maar zoals ik in 2010 verklaarde: 'Daar was ik op dat moment volstrekt niet mee bezig!'. Het enige dat telde was toen de gedetermineerde stervenswens van mijn moeder bleek dat daar een veilige oplossing voor gevondn moest worden en de onmogelijkheid daarvoor een arts te kunnen inschakelen. Dat het OM achteraf, terugblikkend meent dat ik op dat moment al bezig was met een juridisch gevecht, blijkt nergens uit en was ook volstrekt niet het geval. De eerste activistische stappen heb ik pas gezet in het najaar van 2008, maanden na het overlijden van Moek en betroffen alleen het willen ondersteunen van de aandacht voor de problematiek van het voltooide leven en neit de de strafbaarheid van de hulp bij zelfdoding. Pas na mijn verhoor bijna 2 jaar later en tijdens het vooronderzoek ben ik mij gaan verdiepen in de merites van art 294-2 (en ook alleen dat!). Dat ik niet met actie voeren bezig was wordt ook bevestigd door mijn acceptatie van het oordeel van de dienstdoende arts, dat Moek een 'natuurlijke dood' was gestorven.  Dat zou niet logisch zijn als ik met actie voeren bezig zou zijn.
Dat zowel rechtbank als nu opnieuw het Gerechtshof DB met expliciet dat verwijt komen, kan ik niet anders zien als een gemakkelijk beeld dat het OM hen achteraf heeft kunnen voorhouden, maar dat niet is geverifieerd met het beeld van het dossier. Bij het hoger beroep in Arnhem heb ik dat in mijn eigen verklaring vooraf ook duidelijk als een 'onbegrijpelijke gotspe' benoemd. Het gerechtshof DB blijft het niettemin opvoeren. Dat is helaas niet de enige cruciale 'slordigheid' van het hof. Behalve dat ik me pas jaren later in de negatieve gevolgen van art. 294-2 ben gaan verdiepen (waar geen positieve tegenover blijken te staan!), verwijt het hof mijn ook nog, dat ik de totale artikelen 293 en 294 Sr zou willen wijzigen (arrest p19). Het hof heeft ook hier weer wat erg veel uit haar criminaliserende duim gezogen. Het is gewoon niet waar! Art. 294 -1 Sr (aanzetten tot zelfdoding) mag van mij gewoon strafbaar blijven, en ook met art 293 (actief doden op uitdrukkelijke verzoek: Euthanasie) kan ik in de huidige vorm goed leven.

 

Bewering 3: 'Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij, na de afwijzing van het euthanasieverzoek (...) door de huisarts (...), besloten had dan zelf zijn stiefmoeder te helpen bij haar zelfdoding, waarna hij korte tijd hierna contact heeft gezocht met de NVVE.' (Gerechtshof DB, Arrest p10).
Weerlegging: Hoe het hof kan beweren dat ik dat 'verklaard' zou hebben is mij een raadsel. Het is in veel opzichten gewoon onjuist, zoals ook het dossier toont en verklaart heb ik dat dus allerminst. Het contact met de consulent van de NVVE is ruim later gelegd, alleen op verzoek van mijn moeder, die daar haar hoop op vestigde. Toen dat ook weinig opleverde, was ze zeer teleurgesteld en wanhopig. Wel heeft ze kennelijk de laatste woorden van de man in haar oren geknoopt, dat ze ook zelf medicijnen kon verzamelen. Toen ik twee weken later bij haar kwam vertelde en toonde ze, dat ze de medicijnen, die ze voor haar kwalen kreeg, was begonnen op te sparen voor een later gebruik voor een zelfdoding (in haar eentje). Dit gaf duidelijk haar gedetermineerdheid aan en ik schrok daar erg van. Voor mij ontstond toen een nieuwe situatie, die ik ervoer als een paniekerige noodtoestand (of het dat ook in juridische zin was is pas achteraf voer voor juristen). Ik ben de medicijnen gaan onderzoeken en kwam tot de conclusie dat ze daarmee haar doel waarschijnlijk niet zou bereiken en alleen maar doodziek zou worden. Ik was ook zeer ongelukkig met haar intentie het allemaal geheel op eigen houtje en op eigen moment te doen. TOEN PAS ! ben ik gaan nadenken over hoe ik deze noodtoestand kon voorkomen. TOEN PAS ! ben ik me gaan afvragen of mijn anti-malariapillen een alternatief zouden kunnen vormen. Toen me dat duidelijk werd, TOEN PAS ! heb ik mijn moeder geïnformeerd dat ik een beter alternatief had en vroeg ik haar of ze dat zou willen. Daar ging ze toen dankbaar op in. Dat is voor mij het bepalende moment geweest om haar actief te gaan helpen. Iédereen, OM, rechtbank, Hof Arnhem en Hof Den Bosch, slaat dit cruciale moment merkwaardigerwijs over in de beschrijving van mijn handelen. Alsof het een onbelangrijks detail is. Het basisdossier is er niettemin helder over.
Hoe kan dit gerechtshof zulke essentiële blunders begaan. Niet alleen in de chronologie van de feiten, maar ook in de betekenis die ze voor mij en moeder hadden en hebben.

 

Bewering 4: Heringa had nog een andere arts moeten zoeken toen de huisarts weigerde.(OM). De verdachte heeft daarom niet verder gezocht naar een (andere) arts en niet geverifieerd of het Brongersma-arrest (…) nog steeds actueel was en onverkort gold. (Gerechtshof DB, arrest p10).
Weerlegging: Om met het laatste te beginnen: hoe weet het hof dat en zou ik hebben moeten weten dat er juridisch iets veranderd was. In 2011 kwam de KNMG met een route om dit arrest heen, maar dat was 3 jaar later. De vraag of die uitweg juridisch en ethisch wel door de beugel kan wordt niet gesteld, maar dat terzijde.
De deskundigen bij de rechtbank (2013) en het hof Arnhem zelf kwamen tot het oordeel dat het vinden van een andere arts in 2008 als theoretisch moest worden beschouwd. Ondanks het arrest van de Hoge Raad van 2017, waarin alléén het ontslag van rechtsvervolging is vernietigd, maar niet de feiten conclusies van het hof in Arnhem, hebben OM en hof gedaan alsof ze daar geen boodschap aan hebben en deze conclusie van het hof hen niet aangaat. Het komt hen niet uit, maar dat is iets anders. Kortom: Als er al een arts gevonden had kunnen worden om te helpen, dan deed die dat in strijd met de wet (net als dat vóór 2002 wel eens gebeurde, al dan niet met juridische gevolgen). Ook gegeven de gebleken tijdsdruk (zie punt 3) was dit voor mij geen realistische en moreel acceptabele optie: een arts vragen de wet te overtreden!
De deskundigen bij de rechtbank (2013) en het hof Arnhem zelf kwamen tot het oordeel dat het vinden van een andere arts in 2008 als theoretisch moest worden beschouwd. Ondanks het arrest van de Hoge Raad van 2017 -waarin alléén het ontslag van rechtsvervolging is vernietigd, maar niet de feiten conclusies van het hof in Arnhem- hebben OM en hof DB gedaan alsof ze daar geen boodschap aan hebben en deze conclusie van het hof genegeerd. Het komt hen niet uit, maar dat is iets anders. Kennelijk denken ze daarmee weg te kunnen komen.

 

Bewering 5: 'Nadat de verdachte (…) heeft geholpen met het innemen van een dodelijke hoeveelheid medicijnen, is hij weggegaan en heeft haar alleen achtergelaten’ (elders:) 'om te gaan slapen.' (Gerechtshof DB, arrest p11).
Weerlegging: De wijze waarop deze episode hier wordt beschreven voldoet niet aan de eisen van een zorgvuldige formulering, die je van rechtsprekende juristen mag verwachten. Immers, ik ben niet weggegaan nadat mijn moeder de medicijnen had in genomen! Ik ben nog zeker anderhalf uur bij haar gebleven, waarin de situatie stabiel bleef en niets veranderde (ze lag vermoedelijk in een soort coma), maar waarin zij ook nog niet stierf. Ik ben pas weggegaan toen ik het naar het tehuis toe niet langer kon verantwoorden om te blijven, zonder dat daar argwaan zou ontstaan en mogelijk zou worden ingegrepen. Niet ‘om te gaan slapen’ al heb ik dat tenslotte natuurlijk wel gedaan. Die geheimzinnigheid, waartoe de strafbaarheid van mijn hulp mij noopte, was ongewenst maar in het belang van mijn moeder en conform haar wens (!) ook onvermijdelijk. Wat in dit verband een veel gehoorde relevante factor kan zijn, is de ervaring dat niet zelden stervenden juist overlijden als ze alleen zijn; als wakende personen net even weg zijn gegaan, zijn ingedommeld, of in elk geval mentaal even afwezig waren. Of dat ook een rol speelde bij mijn moeder is natuurlijk niet te zeggen, maar als ze al iets gemerkt heeft van mijn vertrek, dan zou dat eventueel een rol gespeeld kunnen hebben.
Het hof DB spreekt hier geen recht maar krom en criminaliseert de situatie zodoende onnodig. Is dat haar taak?

 

Bewering 6: De situatie van 2008 bestaat niet meer. Mevrouw Heringa zou nu (na 2011) door een arts geholpen hebben kunnen worden op grond van een ‘stapeling van ouderdomsklachten’. (o.a Gerechtshof A, KNMG en veel anderen).
Weerlegging: Mijn moeder had inderdaad verschillende ouderdomsklachten (en die worden vaak erg breed uitgemeten). Die had ze al veel langer en daar werd ze voor behandeld. Die waren het niet, die haar tot haar stervenswens brachten. Het was gewoon genoeg, ze vreesde de regie kwijt te raken. Mag je dat als arts dan negeren en je alleen focussen op die kwalen en daar een volstrekt willekeurige en arbitraire optelsom van maken, om te mogen helpen? Omdat je je dan legaal bevoegd mag achten? Is dat juridisch en ethisch professioneel te verantwoorden? Ook al ‘mag’ je het dan formeel doen en ben je niet in strijd met wat het arrest-Brongersma stelt. Klaar met het leven zijn is een legitieme levensfase, waarvan de existentiële waarden en waarderingen op hun eigen merites erkend en gerespecteerd dienen te worden en niet op een arbitraire wijze dienen te worden gemedicaliseerd.

 

Bewering 7: Het Hof DB spreekt consequent over ‘stiefmoeder’ als het mijn moeder wil aanduiden (Gerechtshof DB, arrest)
Weerlegging; Dat het hof in het arrest consequent over ‘stiefmoeder’ speekt, zegt veel over de kijk van het hof op de zaak. Biologisch gesproken is die benaming natuurlijk niet onjuist, maar is het relevant? Het had toch van meer begrip en vooral respect getuigd als dit Hof, in navolging van alle anderen OM, rechtbank, Hof Arnhem en mijzelf, gewoon van ‘moeder’ had gesproken. Alleen zo heb ik haar gekend, dát was onze relatie. Het voelt als zeer respectloos van het Hof die praktische relatie niet te erkennen door in die relatie te gaan knippen.

 

Bewering 8: Met het OM is het Hof van oordeel dat verdachte het wellicht zo voelde dat hij geen andere optie had dan het overtreden van de wet, maar acht het hof niet aannemelijk geworden, dat het voor verdachte op het moment van handelen onmogelijk was anders te handelen dan hij heeft gedaan. (…) de door verdachte geheel of ten dele onbenut gelaten mogelijkheid om te trachten zijn stiefmoeder al dan niet door tussen komst van derden op andere gedachten te brengen dan wel – al dan niet via de NVVE – één of meer andere artsen te consulteren ten einde met hen de doodswens van mevrouw Heringa te bespreken. (Gerechtshof DB, arrest p 18 (en 17).
Weerlegging: In deze passage komen meerdere misvattingen samen, die ten dele al in andere punten aan de orde zijn geweest. De belangrijkste nieuwe misvatting is de kijk op mijn positie t.o.v. die van mijn moeder. Ik mag dan wel de ‘verdachte’ dader zijn, mijn moeder was zeker geen slachtoffer! Zoals iedereen die dat wil uit het hele dossier van dit proces onomstotelijk kan opmaken, is dat mijn moeder een duidelijk eigen wil had. Volgens de getuige Kaemink, beheerder van het tehuis, was mijn moeder de Mater familias en waren ‘de rollen tussen ons nog niet omgedraaid.’. En dat klopt heel aardig. Mijn moeder vroeg om een afspraak met de huisarts, om de consulent van de NVVE en ik zorgde daar dan voor, net als alle andere afspraken. Ik sprak wel met haar over haar doodswens, de reden daarvoor en waarom ze niet wilde versterven. Ik wilde het wel kunnen begrijpen. Ik vond haar wens legitiem en tenslotte ook begrijpelijk. En daarin stond ik niet alleen: met alle dubbele gevoelens die erbij horen, hadden ook mijn dochters, mijn partner en mijn ex dat. De consulent van de NVVE heeft geheel onafhankelijk vastgesteld dat dit haar wens was en dat ze volledig wilsbekwaam was. Daar heb je geen arts voor nodig! De doorslaggevende beslissing van mijn moeder was het zelf opzamelen van al haar normale medicijnen, met de uitgesproken intentie zich daarmee het leven te benemen zodra ze er naar haar idee genoeg van had. Hoe zo zou ik haar op andere gedachten moeten brengen? Zoals mevrouw Kaemink het in haar getuigenis verwoorde: ‘Als ze iets niet wilde, dan hoefde je niets te proberen om het wel te doen.’ Kortom: mijn moeder had voortdurend de regie en die nam ze hier ook. Dat kenmerkt haar ook! Wij erkenden natuurlijk ook haar wens en hadden daar begrip voor. Als ik op dat moment stappen had ondernomen om haar van haar voornemen af te houden, door de medicijnen weg te nemen (die de dokter haar voorgeschreven had!), haar bij het tehuis te verlinken of ongevraagd derden te vragen met haar te gaan praten, zoals hier en ter zitting door OM en Hof wordt gesuggereerd, die beseft niet dat ik haar dán in de steek zou hebben gelaten. Dat was wel het laatste waar zij behoefte aan had of waartoe ik bereid was. Dat was geen minachting van een wettelijk verbod, maar het respecteren van de morele plicht die ik had, namelijk haar wens respecteren. Dat het OM en Hof alléén kijken naar mijn overtreden van dat verbod, maar weigeren de bepalende rol van mijn moeder (1) en mijn positie in de relatie tot mijn moeder (2) toen haar legitieme beslissing fout dreigde te gaan, serieus te nemen en mij gemakshalve maar van doelgerichte ontduiking van de wet betichten (zie bewering 2), getuigt niet van een zorgvuldige analyse van de feiten, maar meer van bewuste, gemakzuchtige framing van mij als crimineel. Dat ondermijnt het vertrouwen in de rechtschapenheid van de juridische gremia in dit land. En niet alleen bij mij!

 

 

Kort relaas van mijn proces:

Mijn hulp kwam op 8 februari 2010 in de openbaarheid met de vertoning van de documentaire 'De laatste wens van Moek' van Nan Rosens in het programma Netwerk onder regie van de NCRV. Dat gebeurde in het kader van de Week van het Voltooid Leven, die werd georganiseerd door de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde. Mijn advocaat lichtte het OM kort tevoren in dat er een starfbaar feit op de televie zou worden getoond, om te voorkomen dat ik onverwachts van mijn bed zou worden gelicht. Op 23 februari 2010 vond mijn verhoor plaats, later gevolgd door een stuk of tien getuigenverhoren van andere betrokkenen.

De beslissing tot vervolging kwam op 5 december 2012, het persbericht daarover twee dagen later. 15 januari 2013 vond een pro forma zitting plaats in Zutphen, op drie september de eerste zitting waar deskundigen werden gehoord en op 24 september de zitting waar ik zelf ben gehoord. Het OM kwam met de eis van drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar. Op 22 oktober 2013 kwam de rechtbank met het vonnis: schuldig maar zonder oplegging van straf.
Op 31 oktober 2013 ging het OM in Hoger Beroep en wijzelf kort daarop ook. De argumenten voor mijn hoger beroep zijn samengevat in een document dat hier onderte vinden is.

De pro formazitting van het Hoger Beroep was bij het Gerechtshof in Arnhem op 2 december 2014. Het Hof ging niet akkoord met de 4 gevraagde deskundigen, waarvan 4 dezelfde als in Zutphen, maar stond wel een getuigeverhoor toe van de huisarts. Dat vond plaats bij de Rechtercommissaris in Arnhem op 3 februari 2015 en leverde veel nuttige informatie op. De gewone zitting vond plaats op 13 april 2015. Ik mocht daar een eigen verklaring voorlezen, die ook hieronder bij de documenten te vinden is. Precies een maand later kwam het Hof met de uitspraak: Op basis van 'Overmacht als noodtoestand', zorgvuldig  en transparant handelen werd ik ontslagen van alle rechtsvervolging. Het mooie pleidooi dat de advocaat Tim Vis, als collega van Willem Anker, hield m.b.t. de relevante jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, werd als niet meer relevant genegeerd. Het Hof meende wel te moeten opmerken, dat mijn moeder nu wel geholpen had kunnen worden, op basis van een stapeling van ouderdomsklachten. Helaas ging het daarbij voorbij aan het feit dat die klachten niet de aanleiding waren voor haar stervenswens. Feitelijk is haar wens dus niet erkend!

Het OM ging negen dagen later volgens verwachting in Cassatie bij de Hoge Raad. Wij zelf hebben dat ook overwogen, maar hebben daar bij nader inzien onvoldoende rechtvaardiging voor kunnen vinden, hoewel wij het betreuren dat niets was gedaan met de argumenten die aan het Europese Hof waren ontleend en waar wij graag een oordeel over hadden gehoord. Deze procedure geschiedt geheel schriftelijk en gaat alleen over de juridische juistheid van de overwegingen en niet meer over de inhoud van de zaak. Op 23 november 2015 is het OM met haar cassatieschriftuur gekomen. Wij hebben daarop gereageerd in februari 2016. De Advocaat-Generaal Spronken (als adviseur van de Hoge Raad) heeft de (voor ons gunstige) conclusie van de voorstudie op 8 november 2016 bekend gemaakt. In de media heeft dat zelfs de indruk gegeven dat het om een definitief oordeel van de Hoge Raad ging. Het was niettemin slechts een advies aan de Hoge Raad het cassatieberoep van het OM te verwerpen. Dat is gunstig omdat een dergelijk advies vaak wordt opgevolgd. Maar dat gebeurt ook niet altijd! De Hoge Raad heeft nu zelf nog veel tijd genomen en zal met haar oordeel komen op 14 maart 2017 (de dag voor de verkiezingen). Voor mij betekent dat, dat er nog van alles kan gebeuren. Ik ben op alles voorbereid. Dat schreef ik nog in december. En ik kreeg gelijk: de Hoge raad vernietigde het vonnis (alleen dat) en verwees het proces terug naar het Gerechtshof in Den Bosch. Daar vond dezitting plaats op 4 december 2017, waar het OM de gebruikelijke 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar eiste, Het vonnis werd gewezen op 31 januari 2018. Dat vonnis was tot ieders verrassing het dubbele van de eis: 6 maanden voorwaardelijk met dezelfde proeftijd. Het verschil met Arnhemse vonnis is gigantisch en dat heeft tot veel onbegrip geleid.

Meer details hieronder na onderstaande 'linken naar filmbeelden'.

 

                          LINKEN NAAR FILMBEELDEN BIJ HET PROCES

Film: 'De laatste wens van Moek' (uitgezonden door NCRV op 8 februari 2010):

https://vimeo.com/48799737

Film: 'Een daad van liefde' (uitgezonden door NCRV op 1oktober 2013):

http://www.npo.nl/een-daad-van-liefde-ncrv-dokument/30-09-2013/NCRV_1646125

Over vonnis rechtbank 24 september 2013:
http://www.omroepgelderland.nl/nieuws/2040835/Geen-celstraf-in-zelfdodin...

(Debat in Dudok, 3 september 2013):

https://www.youtube.com/watch?v=gfMtGetgeLw     

Documentaire van Omroep Gelderland over hulp bij zelfdoding n.a.v. vonnis van rechtbank; september 2013:

https://www.youtube.com/watch?v=444T_M4-B0g 

 

                            DETAILS VAN DE PROCESVOORTGANG

 

31 Januari 2018: Het vonnis

De voorzitter van het Hof was duidelijk geagiteerd toen hij het arrest in samenvatting voorlas, waarna hij met zijn ploeg ook weer heel snel vertrok. Het gebeurde allemaal in een paar minuten en velen vergaten daarbij op te staan zoals de beleefdheid gebied, ik ook. Niet alleen het vonnis hakte erin, ook de nadruk die het Hof legde op mijn vertrek voordat Moek overleden was 'om te gaan slapen', kreeg veel aandacht en dat was duidelijk bedoeld als een sneer naar de NVVE, die in haar campagne voor mij o.a. de slogan gebruikte 'Niemand sterft alleen''. Voor het gemak 'vergat' het Hof te vermelden dat ik Moek pas na 1,5 uur verliet, waarin ze niet overleed, maar er ook niets veranderde in haar houding. Langer kon ik niet wachten om geen argwaan te wekken bij de staf van het tehuis. Zij zouden zeker dratische maatregelen hebben genomen als ze er achter zouden zijn gekomen, dat Moek stervende was. En dat was natuurlijk niet haar en mijn bedoeling. Deze, op zijn zachtst gezegd, wat tendentieuze voorstelling van zaken is een onmiskenbare poging om mijn integriteit in twijfel te trekken. Helaas moet gezegd dat het arrest vol zit met dergelijke valse beelden, maar gelukkig zit het arrest zo slordig in elkaar dat de meeste aanteigingen eenvoudig te weerleggen zijn, aan de hand van het dossier, dat ook voor dit hof als basis dient. (Zie hierboven bij '2018 Correctie Beeldvorming ...') Toch blijft het een griezelig idee dat een rechtsprekend college, dat 8 weken de tijd neemt om tot een uitspraak te komen, zich zo slecht voorbereid én zich zo vooringenomen opstelt. Het heeft vanaf het begin alleen het OM alle ruimte gegeven om haar standpunten uit te dragen en verder te ontwikkelen, anders dan de Hoge Raad had aangegeven. Tijdens de zitting al was duidelijk dat het OM en Hof van mening waren dat ik Moek niet alleen niet had mogen helpen, ik had ook actief had moeten voorkomen dat ze zichzelf zou doden, bijvoorbeeld door de medicijnen die ze opspaarde weg te nemen of haar actie bij haar tehuis te melden (haar dus te verraden!). Alleen al dat ik dat niet gedaan heb is voor dit Hof voldoende reden te beweren dat er dan geen sprake kan zijn van een noodtorstand. Dat is een griezelige opvatting, want het zou betekenen dat niet alleen de echte hulp strafbaar is, maar dat ook het niet voorkomen of melden van een bewust zefgekozen voornemen strafbaar kan worden. Daarmee zou de jurisprudentie een grote stap achteruit worden gezet. Het medische monopoly wordt dan nog nog beklemmender, terwijl nu al steeds duidelijker wordt dat dit tot onhoudbare maatschappelijke situaties leidt. Het stelselmatig negeren van de politieke impasse enerzijds en de maatschppelijke wensen en opvattingen, door het medische en juridische establischment begint onaanvaardbare vormen aan te nemen en dit vonnis lijkt dat alleen maar aan te wakkeren. Een enquête van Maurice de Hond, enkele dagen na het vonnis, geeft aan dat 54% van de mensen mij vrijgesproken hadden willen zien en nog eens 30% geen straf bij schuldig bevinding. Zelf kreeg ik zeker 60 berichten (mails en brieven) van mensen die van hun ontzetting over dit vonnis lieten blijken, waarvan ca een kwart van voor mij geheel onbekenden. De verontwaardiging blijkt groot.

Wij zijn inmiddels in cassatie gegaan. Dat lijkt met dit slordige arrest geen probleem, al valt een flink deel helaas wel buiten de strikt juridische regels van een cassatie. Het kan niet meer over de inhoud gaan, terwijl daar niet de geringste missers zijn begaan. De Hoge Raad zal zichzelf daarin bovendien ook nog wel tegenkomen, omdat veel van mijn handelen berust op haar uitspraak in het arrest Brongersma. Te hopen valt dat het niet weer haar kop in het zand blijft steken, door zich te onttrekken aan haar verantwoordelijkheid jegens de onbeantwoorde ontwikkelingen in de samenleving. De voortekenen lijken niet gunstig, net als bij het Hof Den Bosch, maar ooit zal er wat moeten veranderen en de tijd lijkt er nu meer dan rijp voor. We geven de hoop niet op. Maar het zal nog wel een jaar duren, vrees ik, voor de Hoge Raad weer echt aan zet is.

 

4 December 2017: Herzien Hoger Beroep

Dit tweede hoger beroep startte op een vreemde manier. Wij, mijn advocaten en ik, maakten een samenvattend overzicht van de feiten en conclusies die het Arnhemse Hof had vastgesteld en die volgens de uitspraak van de Hoge Raad die alleen het vonnis had vernietigd, weer de basis van het dit nieuwe hoger beroep zouden kunnen gaan vormen. Tien augustus is dit (tegelijk met enkele andere vragen en opmerkingen) aan het Bosche Hof gezonden met de vraag of het zich hierin kon vinden. Zo ja, dan konden we verder naar de gwone zitting, zo niet dan wilden we eerst een regiezitting om die uitgangspunten dan wel helder te krijgen. In dat geval zouden wij eventueel nog één of meer deskundigen willen uitnodigen. Het Hof heeft nooit op deze brief gereageerd. Toen wij 27 september weer voor overleg bijeen waren, bleek het Hof 4 december als zittingsdatum te hebben aangewezen. . Een gewone zitting, dus meenden wij dat de toegezonden samenvatting was geaccepteerd. Negen oktober ontvingen wij van het OM (advocaat-generaal mevrouw mr. van Duijnhoven) echter een bericht dat het zich niet kon vinden in de samengevatte conclusies en oordelen, noch in de inhoud van de verklaring van de arts voor het Arnhemse Hof. Zonder nader aan te geven wat dan wel en niet OK was, suggereede dit dat het OM op 4 december gewoon op de oude voet door zou gaan. Hoewel de voorzitter van het Hof (mr. Mooij) in het begin enkele malen telefonisch contact heeft gezocht met Willem Anker (éénmaal met succes, geloof ik), iets wat nogal ongebruikelijk is en normaal aan de griffier wordt overgelaten, is deze merkwaardige gang van zaken nooit aan de orde gekomen. Het heeft ons wat overvallen en in een ongemakkelijke positie geplaatst. Ikzelf heb me daarover behoorlijk zorgen gemaakt en achteraf niet ten onrechte. Mijn advocaten, die allerlei argumenten hadden om zich te verzetten tegen deze gang van zaken, meenden echter dat er ook tijdens de zitting nog om een regiezitting kon worden gevraagd. Dat is echter niet gebeurd, tijdens deze 8 uur durende procesgang. Vier decemeber was onverwacht snel. Voor mij wel plezierig, maar voor mijn advocaten, met al hun aangegeven andere besognes en processen, bleef er uiteindelijk maar weinig voorbereidingstijd over.

De zitting zelf begon met een samenvatting van de feiten zoals de voorzitter die zag (in de ogen van mijn advocaten onvolledig), waarna hij mij een aantal vragen stelde. Met name vroeg hij mij hoe ik het lijden van mijn moeder had waargenomen (of iets van gelijke strekking). Een wonderlijke vraag vanuit een typisch medische gedachtegang. Immers, 'lijden' is de ingang voor artsen en hun vereiste legitimatie in de Euthanasiewet. Niettemin is het lijden van iemand, laat staan de ondraaglijkheid ervan, onmogelijk objectief vast te stellen en veel artsen laten dat ook aan hun cliënt. Kun je lijden als er vooral rationele afwegingen zijn, zonder noemenswaardige fysieke klachten? Veel artsen (KNMG) geloven daar niet in, ik wel. Hoe dat ook zij, de stervenswens van mijn moeder had zowel rationele als zeer persoonlijke overwegingen. Haar fysieke klachten en beperkingen, waarmee ze al jaren leefde, speelden natuurlijk wel mee, maar waren niet de aanleiding om dood te willen. Een stapeling van persoonlijke ervaringen, gedachten en een verminderde wil en mentale kracht dit alles nog langer te moeten opbrengen, waren mijns inziens de reden. Typisch existentiële aspecten, die bleken uit de gesprekken en gemaakte keuzes, maar die zich niet gemakkelijk op een andere wijze laten samenvatten of waarnemen. Of dat lijden is? Voor mij bleek dat lijden voldoende uit haar stervenswens. Een omgekeerde vraag ('lijdt zij wel voldoende om dood te mogen willen') vind ik, zeker bij iemand van 99 jaar, gewoon opgepast. En dat vond ik dus ook van de vragen van de voorzitter. Voor het antwoord heb ik dus ook naar mijn moeder verwezen: zij bepaalde of zij leed. Later maakte de voorzitter het nog bonter, toen hij vroeg of mijn moeder, toen ze haar medicijnen niet meer innam, niet had kunnen wachten tot haar toestand zodanig zou verslechteren, dat ze alsnog een arts kon vragen of gewoon natuurlijk zou sterven? Kennelijk vond hij dat ik mijn moeder maar langer had moeten laten lijden om zelf straffeloos te kunnen blijven! 
Dit zijn nu precies de perverse gevolgen van die onnodige en achterhaalde wet, die hulp tot misdaad maakt, waar veel mensen tegenaan lopen. Ze kiezen dan voor stiekem helpen (met alle gevolgen van dien, als minder optimaal kunnen helpen en angst voor ontdekking) of  niet helpen met als consequentie: verlengd en toenemend lijden aan de ene kant en kwellend schulpgevoel en frustratie aan de andere kant). Alsof alleen artsen barnhartigheid en zorgvuldigheid zouden kunnen combineren!? In Zwitserland weten ze wel beter. Daar doen legale stervensbegeleiders het net zo zorgvuldig. 

Het requisitoir van het OM was vrijwel identiek en de eis van 3 maanden voorwaardelijk eveneens. Dat 'voorwaardelijk' werd nu ook nog gemotiveerd met de lange duur van het proces, hoewel die eis steeds hetzelfde is geweest. Dat alles was geen verrassing. De eigen geloofwaardigheid en prestige van het OM beginnen natuurlijk mee te tellen. Weer zegt het OM niet te twijfelen aan mijn oprechte bedoelingen. Hoe rijm je dat met deze eis? En hoe oprecht dat is als je eerst beweert (bij rechtbank) dat ik uit en soort uitdagend activisme de wet heb overtreden en nu nog steeds meent dat ik bewust de wet heb overtreden en 'de waarborgen die gericht zijn op zorgvuldigheid en toetsbaarheid heb genegeerd'. Maar ook de A.G. maakte het nu bovendien nog bonter met vragen als: 'Had u de medicijenen van uw moeder niet weg kunnen nemen?' en 'Had u het tehuis van uw moeder niet kunnen informeren over waarmee ze bezig was?' Kennelijk had ik mijn moeder moeten verraden! En wat dan? Dit soort wereldvreemde vragen en denkpatronen kun je misschien van een robot verwachten, maar zelfs van iemand die waarschijnlijk nog maar half zo oud is als mijn moeder toen, zou ik meer empatie en begrip voor haar situatie (en de mijne) hebben verwacht. De hele gang van zaken heeft mijn vertrouwen in dit Hof, dat in veel opzichten zo nauw verweven bleek met het OM, doen verdampen. Cassatie blijft natuurlijk nog altijd over, maar dat gaat niet meer over de inhoud maar over de procedure, de juridische afwegingen en dat is zo mogelijk nog onbevredigender.
Vóór de presentatie van het reqisitoir kreeg ik nog de gelegenheid met een 'eigen verklaring' te komen. Die is hieronder terug te lezen. De vreemde gang van zaken naar deze zittng toe waren aanleiding mij kritisch uit te laten over eerder optreden van het OM. Na de lunchpauze kwam de verdediging in actie, die in vier etappes: één over de uitgangspunten en drie verschillende pleidooien. Twee daarvan waren grotendeels vergelijkbaar  met die in Arnhem 
(maar aangevuld), één echter was nieuw en nooit eerder in Nederland gebruikt: 'verontschuldigbare noodtoestand'. Mooie pleidooien, maar ik vrees 'parelen voor de zwijnen'. De zitting wordt formeel pas op 17 januari gesloten. Een puur formele truc om ruim 8 weken denktijd te hebben (i.p.v. de wettelijke 14 dagen). Zo zal dan vonnis worden gewezen op 31 januari 2018. Al maakt twijfel mij tot een optimist ('ik kan me vergissen'), ik maak mij geen illusies over waar dit heen gaat.

   

14 Maart 2017: UItspraak van de Hoge Raad

Ondanks het advies van de A.G. komt de Hoge Raad toch met een ander oordeel. De Hoge Raad is van meing dat het door het Hof gebruikte referentiekader (de zorgvuldigheidseisen van de WTL) die voor artsen zij bedoeld, onvoldoende basis is om het beroep op noodtoestand te rechtvaardigen. 'Verdachte (heeft) zelfs niet voldan aan de vereisten van het door het Hof gestelde kader'. Kortom: 'De Hoge Raad vernietigt de bestredenuitspraak, maar uitsluitend wat betreft het door het Hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging; verwijst de zaak naar het Rerechtshof 's Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan; verwerpt het beroep voor het overige.'

Bijzonder was wel dat was aangekondigd dat deze uitspraak mondeling zou worden gedaan, wat ongebruikelijk is, vermoedelijk op verzoek van de pers. Dat bleek pas de middag tevoren en ik kon er daarom bij zijn, want anders was ik er niet heen gegaan. Natuurlijk was ik wel teleurgesteld over deze uitspraak, zeker na het advies van de A.G., maar ik was wel op lles voorbereid en dus ook weer niet heel verrast. De uitspraak en de motivatie van het Hof had ons ook verrast en verbaasd en nogal wat commentaar opgeroepen bij diverse juristen. Alles bijeen genomen verwonderd het mij steeds meer dat iedereen (OM, rechtbank, Gerechtshof en ook de Hoge Raad) voortdurend blijven refereren aan de WTL, zij het elk op hun eigen wijze. Niet alleen ben ik natuurlijk geen arts, maar ook artsen mochten niets doen, zoals de Hoge Raad in 2002 zelf had uitgesproken, omdat het niet om een medische kwestie ging bij mijn moeder(!). Dat wordt voortdurend uit het oog verloren. Die voortdurende slordigheid irriteert mij steeds meer.

Voorlopig is nog niet duidelijk wanneer de zaak voor het Gerechtshof zal dienen. De eerste contacten zijn al wel gelegd, maar gezien de bezetting van mijn advocaten zal het wel niet voor december zijn, maar begin volgend jaar is waarschijnlijker. Wij hebben goede hoop op een vergelijkbaar vonnis van dit Hof. Het referen aan de WTL door het Hof in Arnhem was naar onze mening een onnodige kunstgreep, waar wij ook niet om gevraagd hadden. 

 

​8 November 2016: Het advies van de Advocaat Generaal bij de Hoge Raad

​De A.G. Mr.T.N.B.M. Spronken adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van het OM tegen de uitspraak van het Gerechtshof in Arnhem, waarbij Heringa geheel werd ontslagen van rechtsvervolging, te verwerpen. Dit is de conclusie van een uitvoerige studie van 32 pagina's.

 

13 Mei 2015: De uitspraak van het Hof

Het Hof toetst mijn handelen zo veel mogelijk aan de criteria van de WTL. Op het eerste gezicht merkwaardig, want ik ben geen arts en die criteria zijn daarvoor bedoeld. Maar ze hebben waarschijnlijk weinig alternatieven. Kort samengevat komt de uitspraak erop neer dat het Hof erkent dat ik terecht heb gehandeld in een toestand van 'Overmacht als noodtoestand'. Ook bevestigt het Hof dat ik onder de gegeven onstandigheden (het juridische verbod) zorgvuldig en transparant (toetsbaar) ben geweest in mijn daden (vanwege de film- en geluidsopnamen). Om die reden wordt ik volledig ontslagen van rechtsvervolging. De argumenten met betrekking tot het Europese Hof, die door de verdediging zijn aangevoerd, wordt geen aandacht meer gegeven, omdat ik ben al ontslagen van rechtsvervolging en ze dus niets toevoegen. Wel meent het Hof dat de situatie nu zodanig anders is dat Moek nu wel geholpen had kunnen worden, omdat de KNMG sinds 2011 ook een stapeling van (voldoende) ouderdomsklachten als een rechtvaardiging aanvaardt van een verzoek om euthanasie. Dat schokt me, omdat het Hof daarmee de wens van Moek feitelijk niet erkent, die immers niet gebaseerd was op haar medische klachten.

 

13 April 2015: Zitting van het Gerechtshof in Arnhem.

Net als in Zutphen krijg ik de gelegenheid te beginnen met een Eigen Verklaring.

Voor ik aan de kwintesens van mijn verklaring toe ben, bespreek ik drie punten die betrekking hebben op de wonderlijke rol die het OM speelt. Om te beginnen (1) de vraag waarom het OM vast blijft houden aan de strafbaarheid van hulp bij zelfdodding nu steeds  duidelijker wordt dat er in de samenleving, namens wie zij tenslotte optreedt, een duidelijke meerderheid is die daar vanaf wil. elke samenleving vertegenwoordigd het OM? Ik heb geprobeerd die kwestie rechtstreeks met het OM te bespreken, maar daar wilde het niet aan 'omdat het onder de rechter lag'. Een wonderlijk argument. Zou een rechter er moeite meehebben als de twee partijen een openlijk gesprek zouden hebben? Dat draagt m.i. niet bij aan een efficiënte rechtsgang. Ook wijs ik er op dat art 294 nooit is gebruikt voor misbruik, maar alleen voor echte driningend gewenste hulp bij zelfdoding, die onnodig rechtschapen en empathische burgers tot misdaders bombardeert. Daar is de wet niet voor! Als tweede punt wijs ik op de vooringenomen en tendensieuze wijze van argumenten die het in Zutphen heeft gehanteerd en de onzuiverheid daarvan. Als derde punt ontzenuw ik het standpunt van het in Zutphen geponeerde standpunt dat 'de wetgever nog immer het respect voor het leven als gemeenschapswaarde van hogere betekenis acht dan de waarde die het leven voor het individu heeft'. Dat is zeker met de WTL en behandelverbod een achterhaald standpunt.

Dan komt de kwintesens van mijn verklaring: de positie van mijn moeder en mijn rol. Ik wijs op haar zelfstandigheid en vastbeslotenheid, dat ze altijd de eigen regie in handen had, dat mijn rol pas begon toen ik zag aankomen dat haar eigengereidheid bij het gebruik van haar eigen medicijnen haar in ernstige problemen gezondheidsproblemen zou brengen en dat ik dus geen keus had dan haar te helpen met de betere middeln die ik had. Ik wijs ook op de ongewenste neiging het sterven te willen medicaliseren en aan artsen te koppelen, zelfs als er alleen sprake is van een niet medisch gemotiveerde stervenswens.

De rechters stellen mij een aantal gevoelige vragen over Moek en mijn omgang met haar. Dan mag de advocaat-generaal van het OM haar zegje doen. Dat is erg mager en weinig meer dan een herhaling van de zetten in Zutphen.

Tenslotte komt de verdediging aan het woord. Die bestaat uit twee delen: een pleidooi door Willem Anker, dat in grote lijnen dezelfde benadering heeft als in Zutphen en mikt op Overmacht als noodtoestand. o.a. Daarna komt advocaat Tim Vis aan het woord (van kantoor Spong) die zich op verzoek van Willem Anker en op suggestie van prof Govert den Hartogh, heeft verdiept in de aspecten die te maken hebben met de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op dit terrein. Een nieuw terrein met een gezichtpunt waar we veel van verwachten. Hij brengt dat heel helder.

Het hof neemt een maand de tijd om tot een oordeel te komen. 13 Mei zien we elkaar weer.

 

3 Februari 2015: Getuigenis dokter de Vet.

De huisarts van Moek is door ons als getuige gevraagd. Ze wordt bevraagd door de Rechtercommissaris in aanwezigheid van de Advocat-generaal (OM) Willem Anker en mij zelf. Zij maakt o.a. duidelijk dat Moek al lnger een doodswens had, dat zij niet wilde helpen, omdat zij daarvoor geen medische rechtvardiging aanwezig achte. Er was sprake van levensmoe zijn. Zij zou ook in een ander geval iet helpen, maar nu achtte ze het onwaarschijnlijk dat er een arts gevonden zou kunnen worden die haar wel zou kunnen helpen. Dat was in die periode ook vrijwel onmogelijk volgens haar. Ze beaamt ook dat de eigen medicijnen van Moek waarschijnlijk niet het gewenste effect zouden hebben gehad en de kans op mislukkig dan dus groot was geweest.

 

December 2014: Een nieuwe fase is gestart.

Met de Regiezitting bij het Gerechtshof in Arnhem is op 2 december 2014 het Hoger Beroep gestart. Daar is door ons gevraagd de huisarts van Moek als getuige te horen en vier deskundigen, waaronder dezelfde deskundigen als bij de rechtbank. Het OM vraagt weer niets, maar het heeft geen overwegende bezwaren tegen onze verzoeken. Als zittingsdatum wordt 13 april 2014 uitgekozen. De beslissing van het hof komt 14 dagen later (16 december). Op 22 december weet ik echter nog niet hoe die luidt.

Het OM was de eerste die beroep aantekende.Het is -kort samengevat- van mening dat een voorwaardelijke gevangenisstraf beslist nodig is uit het oogpunt van 'normhandhaving'. De motivering in de  zogenaamde 'Appelschriftuur' is feitelijk een herhaling van wat het OM in het Requisitoir voor de Rechtbank betoogde. Een van de meest opmerkelijke passages die zij herhaalt is: "Hulp bij zelfdoding is destijds door de wetgever strafbaar gesteld omdat de bescherming van het leven een belanglijke gemeenschapswaarde is, waaraan een hogere waarde werd toegekend dan aan het individuele zelfbeschikkingsrecht." Ondanks de erkenning van veranderde opvattingen houdt het OM hieraan vast, want , stelt het, "De wetgever oordeelt nog immer dat het respect voor leven als gemeenschapswaarde van hogere betekenis is dan de betekenis die het leven voor het individu kent." Het is de vraag of dit nog een houdbare opvatting is.

Ook wij hebben niet veel later ook een gemotiveerd ´appelschriftuur´ ingediend. Dat is gebaseerd op de volgende punten: a. het beroep op 'overmacht in de zin van noodtoestand' is ten onrechte verworpen; b. er is onvoldoende rekening gehouden met de eigen verantwoordelijkheid van mevrouw Heringa (Moek); c. de rechtbank onthoudt zich van het geven van een 'overweging ten overvloede' waarin bijvoorbeeld randvoorwaarden kunnen worden geformuleerd (zoals in de decenia voor het aannemen van de 'Euthanasiewet' (WTL) ook is gebeurd); d. de rechtbank meent dat ik de regels van de wet welbewust heb overtreden, omdat ik het daar niet mee een zou zijn geweest. In 'Mijn persoonlijke argumenten voor het hoger beroep' zijn deze punten deels wat verder uitgewerkt en aangevuld. Dit document, dat 2 december aan het Hof is aangeboden, overlapt in grote lijnen met de appelschriftuur van een jaar geleden. Het  document is hieronder na de 'Introductie' te lezen.

 

Oktober 2013:  Dank, dank , dank!
Zelden heb ik zoveel reacties gehad naar aanleiding van mijn proces en alle publiciteit daar omheen. Tientallen, waarschijnlijk over de honderd. Meer nog dan toen de documentaire over Moek 's laatste wens op de TV werd vertoond, die dit proces tenslotte tot gevolg had. Bemoedigend, inspirerend en getuigend van steun en dankbaarheid voor de aandacht, die zo aan het onderwerp werd gegeven.  Velen heb ik persoonlijk kunnen bedanken, maar velen ook niet. Dat hoop ik langs deze weg als nog te kunnen doen.
Bijzonder waren vooral de reacties van verschillende oude bekenden met wie het contact al vele jaren verloren was gegaan. Heel bijzonder voor mij ook de brief van een bejaarde vrouw die zich realiseerde dat ik de zoon moest zijn van de vrouw met wie zij in de goederenwagon naar het concentratiekamp Ravenbrück had gezeten en waaraan ze zulke liefdevolle herinneringen had. Dat was mijn mammie Anna.
Het meest bijzonder
was misschien nog wel, dat er tussen alle reacties werkelijk niet één negatief geluid was. Niet iedereen staat immers te juichen bij het verhaal over mijn hulp aan Moek, maar niemand vond het gelukkig nodig zijn afkeuring kenbaar te maken. Ook daar ben ik dankbaar voor.

 

Hieronder bij Documenten volgen enkele de stukken van mijn hand. De overige processtukken (reqistoires, pleitnota's en vonnissen zijn eventueel ook bij mij te verkrijgen (mits digitaal beschikbaar)

  • Eigen verklaring bij herziening van Hoger Beroep. 4 december 2017, Den Bosch
  • Eigen verklaring bij Hoger Beroep, 13 april 2015, Arnhem
  • Mijn persoonlijke argumenten voor het hoger beroep. 2 december 2014
  • Mijn 'Aanvullende Verklaring vooraf' bij het proces  op 24 september 2013, Zutphen
  • Mijn 'Slotwoord' bij het proces op 24 september 2013, na requisitoir en pleidooi, Zutphen

Wordt vervolgd, dat ligt in de rede!

 

                                                      DOCUMENTEN

 

EIGEN VERKLARING BIJ HERZIENING VAN HOGER BEROEP   4 december 2017, Den Bosch

Geachte voorzitter en leden van het Hof,
Ik dank U voor de gelegenheid hier enige woorden te mogen zeggen. Ik had een tijd geleden een ander verhaal voorbereid, maar Uw besluit om de zitting door te laten gaan zonder dat overeenstemming is over de uitleg van het oordeel van de Hoge Raad, heeft mij er toegebracht mij nog meer te focussen op de rol van het OM. Uw besluit geeft het OM immers alle ruimte het oordeel van de Hoge Raad te negeren. Ik hoop dat U er begrip voor hebt dat ik daardoor ook iets meer tijd nodig heb, dan aanvankelijk voorzien.
Toen ik in 2010 aandacht wilde vragen voor de problematiek van ouderen met een niet-medische stervenswens, met de vertoning van de documentaire over mijn moeder, wist ik dat ik me daarmee blootstelde aan eventuele vervolging vanwege de hulp die ik haar daarbij gegeven heb. Immers de deskundige huisarts die een natuurlijke dood constateerde heb ik toen niet tegen willen spreken. Wie zou daar tenslotte baat bij hebben gehad? Maar ik was er wel volledig op voorbereid mijn handelen transparant te documenteren.
Die problematiek bestaat nog steeds en voor zover die minder acuut lijkt geworden, is dat voornamelijk gebaseerd op een medisch geconstrueerde ‘Grote Leugen’. Want de zogenaamde ‘Stapeling van Ouderdomsklachten’ is puur een medische truc om de werkelijke motivatie van een stervenswens, die vooral existentieel van aard is, niet serieus te hoeven nemen en een medische grondslag te claimen. Zodoende menen artsen zich bevoegd te mogen wanen stervenshulp te kunnen bieden. Juridisch en ethisch is zeer aanvechtvaar!
Ik heb dat vervolgingsrisico graag genomen, vol vertrouwen in onze rechtspleging. Het OM heeft mijn handelen inderdaad uitvoerig onderzocht en dat heeft bijna 3 jaar geduurd, waarbij ook de Landelijke Reflectiekamer een geheime duit in het zakje heeft mogen doen, voordat tot vervolging werd besloten. De transparantie van het OM was toen al opvallend mat. Het lange uitblijven van de beslissing om te vervolgen getuigt van veel twijfels over de zin van dit proces. Die twijfel heeft zich tenslotte vertaald in een keiharde aanpak, waarin voor nuance geen sprake mocht zijn. Alle registers zijn opengetrokken om de tanende betekenis van art 294-2 SR, die de hulp bij zelfdoding verbied, overeind te houden, onder meer door de rol van mijn moeder te bagatelliseren en mijn integriteit te ondermijnen. Zelfs de Minister van Veiligheid moest er aan te pas komen om de inzet van het OM nog eens te verduidelijken.  Over diens voorbeeldige transparantie, zorgvuldigheid en integriteit hoeven we het hier verder niet te hebben. Het is wel duidelijk geworden dat hij zo twijfelde aan de soliditeit van art 294-2 dat hij het OM opdracht gaf alle spijkers te zoeken die bij laag water te vinden waren, om dat bouwwerk overeind te houden.
Daarin volhardt het OM kennelijk ook na diens vertrek.
Het OM heeft natuurlijk de taak namens de samenleving de overeengekomen wetten te helpen handhaven en overtredingen aan de rechter voor te leggen ter beoordeling. Het OM mag, moet misschien wel, daarbij een eenzijdig, partijdig standpunt innemen. Maar er zijn wel grenzen. Met alle respect voor de positie van het OM, ben ik van mening dat het OM aardig uit de bocht vliegt en die grenzen op unfaire wijze heeft overschreden, niet één keer maar stelselmatig, zoals ik hieronder wil duidelijk maken. Dit heeft mijn vertrouwen in een neutrale rechtsgang ernstig ondermijnd. In weerwil van de uitspraak van de Hoge Raad heeft het OM alle ruimte gekregen weer haar eigen stokpaardjes te blijven berijden. Het minste wat ik daarvan kan zeggen is dat ik dat niet erg efficiënt en constructief acht.
Ik heb sterk het gevoel in een flipperkast terecht te zijn gekomen, waarin alle waarden en waarheden op hun kop gezet worden, waarin -als in Orwells ‘1984’- sprake is van een soort ‘new speak’. Het OM voert de strijdt om art 294-2 overeind te houden niet met redelijke middelen. Het maakt gebruik van schijnargumenten, verdachtmakingen, vooringenomenheid en een bewust onwaarachtige voorstelling van de gang van zaken.
Ik beklaag de samenleving namens wie het OM meent te spreken, waarin wantrouwen het ‘leitmotif’ is. Mijn samenleving is dat in elk geval niet.

 

Waar overschrijdt het OM de grenzen van betamelijkheid en vliegt zij uit de bocht?:

1. Hoewel het OM tot taak heeft de samenleving te vertegenwoordigen, doet het dat niet. De samenleving heeft zich de laatste decennia al enige malen duidelijk uitgesproken via representatieve enquêtes en meningspeilingen, over hulp bij zelfdoding en aanverwante zaken, maar het politiek aangestuurde OM geeft er de voorkeur aan te refereren aan de samenleving van ca 130 jaar geleden, toen religieus-morele motieven om het verbod op zelfdoding vroegen. De enige veroordelingen die sindsdien zijn uit gesproken, gaan niet over misbruik van de hulp, maar betreffen misbruik van de wet om hulpverleners te  veroordelen die op even barmhartige gronden als artsen de gewenste waardige hulp boden, die artsen -vaak op puur persoonlijke gronden- weigerden te geven. Dat burgers barmhartiger kunnen zijn dan de medici, past niet in het patroon van het OM, die hen kennelijk beschouwd als de unieke hogepriesters van het leven. De schrijnende incongruentie tussen de samenleving en de politiek, die zich vooral op de sociaaleconomische werkelijkheid richt, wordt blijkbaar voor lief genomen.

 

2. Mijn persoonlijke betrokkenheid bij mijn moeder zou mijn oordeel ‘vertroebeld’  hebben doen zijn, zegt het OM in het requisitoir voor de rechtbank. Op het eerste gezicht zou dat dat natuurlijk kunnen! Maar mij dit nog voor de voeten werpen, ook op de televisie, na het gehoord hebben van 9 getuigen en alle opgenomen gesprekken met mijn moeder, is ronduit valse stemmingmakerij. Het OM weet immers beter!
Wie is hier nu echt ‘vertroebeld’?
Ook de suggestie dat ik géén onafhankelijke deskundige zou hebben geraadpleegd is gewoon niet waar: De consulent van de NVVE heeft bewust voor dit doel met haar alleen gesproken.

 

3. Die consulent was zeker niet minder onafhankelijk en net als een arts in staat haar normale geestelijke vermogens te constateren. Dat het OM hem niet serieus neemt, ondeskundig en ‘ideologisch bevooroordeeld’  noemt, gaat niet over deskundigheid, maar over de eigen medisch gerichte vooringenomenheid, die zelfs de getrainde burger wantrouwt. Dat zal wel een beroepsdeformatie zijn.

 

4. Er zou onvoldoende onderzocht zijn of ‘de ongemakken van mijn moeder wellicht nog behandelbaar waren’ . Hier refereert het OM aan de eis van de WTL, maar gaat voorbij aan het feit dat mijn moeder geen behandeling van een ‘ongemak’ door haar arts uit de weg is gegaan, maar andere dan medische motieven had. Pas op het allerlaatste moment heeft zij juist behandelingen via de arts stop gezet. Mag je als 99-jarige nog enige regie over je eigen leven behouden? Ik heb haar niet verhinderd welk stap dan ook te zetten, in tegendeel. Mijn moeder was goed in staat haar eigen beslissingen te nemen en deed dat ook. Ze consulteerde me daarbij meestal wel, maar ik kan daarvoor niet verantwoordelijk worden gehouden. Dat geldt ook voor haar besluit haar eigen medicijnen op te sparen.

 

5. Ik zou de hulp ‘niet medisch zorgvuldig hebben uitgevoerd’ . Nog afgezien van de vraag of dat klopt (is zorgvuldigheid alleen afhankelijk van vooraf georganiseerde medische bijstand?), is hier ook weer sprake van een tendentieus argument, dat bovendien in zijn eigen staart bijt. Immers de medische hulp was gevraagd, maar geweigerd. De strafbaarheid voor een gewoon mens van de hulp bij zelfdoding, maakte deze vorm van zorgvuldigheid in eigen regie hier dus onmogelijk. Dat wordt juist door het zinloze hulpverbod in de hand gewerkt. Maar alleen daarom is het nog niet onzorgvuldig! Als het OM zorgvuldigheid zo hoog in het vaandel heeft, dan zou de opheffing van art. 294-2 de veiligheid in de samenleving echt danig kunnen verhogen. Dit verwijt past mij niet.

 

6. De gang van zaken was onder de gegeven omstandigheden zeker de meest haalbare humane vorm van sterven, wat anderen daarvan ook vinden. Mijn moeder koos hiervoor, in plaats van de aanvankelijk door haar besloten eigen wijze: d.w.z. geheel alleen en met haar eigen opgespaarde middelen. Dat had in meerdere opzichten vrijwel zeker tot een veel minder humaan verlopend levenseinde geleid. Toen heb ik mijn hulp aangeboden. De tijd voor ‘breder kijken’, als die er voor mijn moeder zou zijn geweest, was toen voorbij.

 

7. Het OM meent, zonder enige onderbouwing, dat het lijden van mijn moeder, ’ook al was het invoelbaar, niet als zo ernstig kan worden beschouwd, dat hulp bij zelfdoding wel moest worden verleend’.  Het is niet aan het OM een oordeel te hebben over de ernst van het lijden van mijn moeder. Haar eigen oordeel telde hier en ook zodanig dat ze haar eigen stappen zette. Dat mag toch nog wel in Nederland? Ik had daar geen invloed op. Mijn hulp had alleen tot doel de onzekere en inhumane gevolgen van die stappen te voorkomen en een humaner sterven mogelijk te maken. Ik ervoer dat als een noodsituatie, een andere keus was er voor mij ook gewoon niet’. Ik ben nog altijd blij te zijn ingesprongen en kon zorgen dat zij op een waardige, zelfgekozen wijze kon sterven.

 

8. Ik voeg hier voor alle duidelijkheid aan toe dat de verschillinde kwalen waaraan zij leed, en die tegenwoordig terugkijkend soms als mogelijk medisch excuus worden aangevoerd, voor haar geen noemenswaardige rol speelden. Ze had die klachten al jaren en ze werden alle naar behoren behandeld. Haar acute stervenswens had een begrijpelijke en moeilijk te weerleggen existentiële achtergrond. Ik licht dat zo nodig nog graag toe.

 

9. Het OM refereert uitvoerig aan de WTL: ‘De zorgvuldigheidseisen zoals die voor artsen gelden en zijn neergelegd in de Euthanasiewet kunnen hierbij houvast bieden’, zegt het OM, er aan toevoegend: ‘zoals blijkt uit de jurisprudentie’. (…) ’Deze zorgvuldigheidseisen kunnen dus een kader geven wanneer getoetst moet worden of de conflicterende belangen door een niet arts zorgvuldig afgewogen zijn en of diens handelen wellicht gerechtvaardigd is.’  Dat is precies wat het Arnhemse Hof gedaan heeft en dat is wat de Hoge Raad dus heeft afgewezen. Ik ben geen arts en trouwens ook geen ‘niet-arts’. Ik ben, net als mijn moeder, een gewoon verantwoordelijk en zelfstandig handelende burger voor wie de WTL niet is gemaakt. Maar barmhartigheid en zorgvuldigheid bestaat ook buiten de WTL, artsen en art. 294. Het zou het OM sieren daar oog voor te hebben.

 

10. Dat de WTL destijds met medewerking van het OM tot stand is gekomen, ontslaat haar niet van de noodzaak te erkennen dat er tekortkomingen aan die wet zitten. Alleen al de belangrijke rol die de levenseindekliniek in toenemende mate speelt, geeft aan dat de unieke en daarmee ook dominante positie van de arts te ver gaat, ook voor veel artsen zelf trouwens. De dood is niet van artsen en heeft altijd primair een existentiële betekenis, zelfs als de aanleiding puur medisch is. Het is dus niet vanzelfsprekend hen daar onnodig anders bij te betrekken dan voor het constateren van het overlijden.

 

11. Er zijn voldoende waardige methoden om op een verantwoorde en zorgvuldige manier een einde aan je leven te maken. Het OM zou eraan kunnen meewerken daarvoor legale wegen te zoeken om schokkende en maatschappij ontwrichtende vormen zo veel mogelijk te voorkomen, op dezelfde manier als het dat destijds ten behoeve van artsen heeft gedaan. Maar artsen krijgen kennelijk wel het volle vertrouwen van het OM, dat het zelfs voor de getrainde en onderlegde burger niet kan opbrengen. Laat die kokervisie toch eens los en ga echt eens breder kijken. Vergelijk de zorgvuldige Zwitserse praktijk waar artsen geen rol spelen!

 

12. Het OM heeft mij ter zitting nooit meer enige vraag gesteld en komt in haar requisitoirs met allerlei oordelen, die kant noch wal raken. Die ademen een grote doelgerichte vooringenomenheid. Mijn pogingen om tot een gesprek te komen om dat soort misverstanden uit de weg te helpen en tot een zuiverder oordeelsvorming te komen zijn steeds afgewimpeld. Het OM is niet uit op waarheidsvinding. Het heeft haar oordeel vooraf al klaar en probeert kostte wat het kost dit proces te winnen. Denkt het werkelijk dat art 294-2 iets bijdraagt aan de veiligheid en zorgvuldigheid van het zelfgekozen levenseinde? De ervaring leert dat het geen misbruik voorkomt, maar wel veel narigheid en onzorgvuldigheid in de hand werkt. Over zorgvuldigheid gesproken!

 

13. Het vasthouden aan het overleefde idee dat ‘het respect voor leven als gemeenschapswaarde van hogere betekenis is dan de betekenis die het leven voor het individu kent’ , getuigt van realiteitsvreemde opvattingen, die kennelijk nog bij het OM leven en die wat mij betreft de argumenten van het OM niet ontvankelijk doen zijn. Ik hoop dat het Hof wel respect heeft voor de betekenis die de kwaliteit van leven voor ieder zelfstandig mens primair heeft, zonder die sociale betekenis te willen ontkennen.

 

14. Samenvattend:  De politiek gestuurde oordelen van het OM zijn unfair en getuigen van weinig begrip van en voor ouderen die ‘uitgeleefd’ zijn en van wat er in de huidige samenleving leeft. Wetten die verouderd zijn en niet meer passen bij de huidige opvattingen kunnen worden genegeerd als de wetgever het politiek laat afweten.

 

EIGEN VERKLARING BIJ HOGER BEROEP    13 april 2015, Arnhem

Dit Hoger Beroep was waarschijnlijk niet nodig geweest als het belang van de wenselijke uitwisseling van standpunten tussen OM en verdediging meer bewuste aandacht had gekregen. Later, als alles achter de rug is, zal ik dat nog wel eens toelichten.
Voor ik aan de kwintessens van deze zaak toekom, die in Zutphen nauwelijks aan de orde is gekomen, wil ik graag drie punten bespreken met betrekking tot de wonderlijke rol die het OM in dit proces speelt.

Het OM heeft Hoger Beroep aangetekend tegen het vonnis, omdat de rechtbank geen straf heeft opgelegd.  De strafbaarheid van Hulp bij zelfdoding door een niet-arts zou daarmee worden uitgehold. Straf moet volgens het OM zonder uitzondering worden opgelegd, al is het maar voorwaardelijk. Maar waarom toch?

EEN Als hoeder van de maatschappelijke orde is het natuurlijk de taak van het OM de wetten en regels te helpen handhaven. Maar ze doet dat wel namens de samenleving en dat wringt in dit geval. Het OM is zich dat ook terdege bewust. De lange tijd die het genomen heeft voor zij besloot mij te vervolgen wijst daar al op en de inschakeling van die geheimzinnige Nationale Reflectie Kamer helemaal. Dat is zacht gezegd zeer ongebruikelijk.
Het is iedereen inmiddels duidelijk (zie ook de score in de EO-uitzending van afgelopen woensdag: 77% voor hulp), dat er een  grote groep mensen bestaat die het oneens is met de strafbaarheid van die hulp, in elk geval in de huidige categorische vorm. Als het niet om een meerderheid van de samenleving gaat, dan toch op zijn minst een aanzienlijke minderheid. De vraag is gerechtvaardigd welke samenleving het OM hier eigenlijk vertegenwoordigt!
Die hamvraag mag het OM, maar ook het Hof mijns inziens niet onbeantwoord laten!

Ik heb geprobeerd deze vraag vooraf met het OM te bespreken, om zo een gelijkwaardig speelveld te creëren, maar dat is afgewezen. Niet alleen zou het ‘ongebruikelijk’ zijn (maar wat is dat niet in deze zaak?), het zou ook niet kunnen omdat het ‘onder de rechter lag’. Een wonderlijk argument, want ik kan me niet voorstellen dat de rechter er enig bezwaar tegen kan hebben als de twee partijen waarover recht moet worden gesproken, vooraf met elkaar in gesprek gaan. Zeker niet als dat in alle openheid gebeurt. Mag de minister van Justitie dan wel als zijn mening geven dat de strafbaarheid van art 294 gehandhaafd moet blijven?
De Advocaat Generaal liet weten dat ze liever had dat ik dat in de rechtszaal zou doen en dat doe ik dan nu bij deze. Ik ervaar dat opnieuw als een erg inefficiënte vorm van rechtsvinding.
Er zijn hier twee cruciale vragenstukken aan de orde:
1. > Handhaving van art 294 SR doet de samenleving waarschijnlijk veel meer schade dan wat het pretendeert te voorkomen. Het weerhoudt goedwillende mensen gewenste hulp te bieden. Zij worden daardoor met een ernstig schuldgevoel belast terwijl het lijden van de hulpvrager onnodig wordt verlengd.
> Of er wordt wel hulp geboden, maar dat moet dan stiekem, zoals in mijn geval. Ook dat kan belastend zijn, en het kan ten koste gaan van de zorgvuldigheid en de waardigheid van de uitvoering, beide ongewenst. Het is schrijnend dat het OM aan deze belangrijke consequenties van het wetsartikel steeds voorbij gaat.
2. De dreiging die van artikel 294 SR uitgaat en het gebruik dat er van wordt gemaakt is feitelijk louter cosmetisch. Het idee is kennelijk dat er zelfdodingen mee zouden worden voorkomen. Dat is echter zeer de vraag. Waarschijnlijker is dat er alleen extra leed wordt toegevoegd, in meerdere opzichten.
Ook voor het voorkomen van misbruik is dit artikel niet nodig. Elke vorm van misbruik kan gemakkelijk met andere bestaande wetsartikelen worden aangepakt. Alle veroordelingen van hulpverleners tot nog toe, betrof echte hulp, die zeer gewenst was door de hulpvrager. Van misbruik was nooit sprake! NOOIT!

Kortom: Art 294 maakt, onder verouderde en verkeerde voorwendsels, misdadigers van rechtschapen en empathische burgers. Daar is de wet niet voor! Het OM zou zich niet moeten lenen overleefde artikelen in stand te houden, alleen omdat het parlement dit soort politiek gevoelige zaken pas durft te veranderen, als de rechterlijke macht het pad geëffend heeft. Zoals dat bij de euthanasie het geval was.

Waarom probeert het OM zo krampachtig vast te houden aan het strafrecht-format, terwijl hier feitelijk sprake is van een confrontatie van twee maatschappelijke opvattingen? Deze zaak heeft veel meer een civiel karakter.
Als ik iets misdaan heb ben ik bereid daarvoor straf te ontvangen. Maar ik heb niets misdaan. Het enige wat ik deed was mijn moeder niet met haar wanhoop alleen laten toen zij de enige overgebleven en acceptabele weg koos naar haar eigen levenseinde.
Dat pad zou haar daar niet gebracht hebben. Zonder mijn ingrijpen zou ze dat pad afgelopen hebben zonder haar doel te bereiken. Ik had geen keus.
Laat mensen die niet in staat zijn zelf op een verantwoorde en waardige wijze een einde aan hun leven te maken, daarbij de gewenste hulp kunnen en mogen krijgen van hun dierbaren. Zonder de strafbaarheid van die hulp kan die dan ook zorgvuldig en transparant gegeven worden. Dat geldt niet alleen voor artsen.

TWEE. Die krampachtigheid van het OM wordt duidelijk geïllustreerd door de zes nogal gekunstelde argumenten die het OM bij de rechtszaak aanvoerde om de zorgvuldigheid, waarmee ik mijn moeder heb geholpen, onderuit te halen. Daar is geen sprake meer van zuivere oordelen, maar van een bewuste vertekening. Alsof het zou gaan om winnen i.p.v. waarheidvinding.
Het voert te ver hier op alle argumenten in te gaan. Ik noem er een paar.

 Het meest onzuivere punt (zowel in rechtszaal als op TV) is misschien wel de suggestie dat ik te vertroebeld zou (kunnen) zijn geweest om een goed oordeel over mijn moeder te kunnen hebben. Als ik strikt alleen op mijn eigen oordeel zou zijn afgegaan, dan was dat wellicht aannemelijk geweest, maar de politie heeft negen mensen gehoord, die allen bevestigd hebben hoe mijn moeder er in stond. Er was dus geen sprake van enige vertroebeling mijnerzijds (als de filmbeelden al niet voor zichzelf spraken). Door al die evidentie buiten beschouwing te laten heeft juist het OM zelf het zicht op de zaak vertroebelt!
 Ook de suggestie dat onvoldoende is onderzocht of de ongemakken van mijn moeder nog behandelbaar waren, slaat nergens op. Er is door haar geen enkele behandeling afgewezen en bovendien was het niet aan mij om daar iets aan te doen. Het ging ook niet om die ongemakken, die waren er al lang. Het was haar gewoon genoeg geweest.
Voor het OM is dat kennelijk onvoorstelbaar!
 Het oordeel van het OM over de consulent van de NVVE is onjuist en tendentieus. Ook vrijwilligers kunnen deskundig zijn, al zijn ze geen arts. Medische deskundigheid is niet nodig om te beoordelen of iemand wilsbekwaam is. De NVVE ideologisch bevooroordeeld noemen is gewoon ongepaste vooringenomenheid van het OM. Alsof de NVVE mensen de dood in zou willen praten.
Zo zou ik door kunnen gaan.

DRIE Tenslotte nog de opvatting van het OM, dat ‘de wetgever nog immer het respect voor het leven als gemeenschapswaarde van hogere betekenis acht, dan de waarde die het leven voor het individu heeft’, zoals het in Zutphen poneerde. In welke eeuw leeft het OM?
De maatschappelijke werkelijkheid ziet er heel anders uit. Onder meer is dat in de WTL (euthanasiewet) en het behandelverbod wettelijk tot uitdrukking gebracht. Welkom op aarde!

      *****

NU DAN DE KWINTESSENS VAN DEZE ZAAK:
Mijn moeder had het met haar 99 jaar helemaal gehad. Ze had wel allerlei kwalen, die waren niet nieuw en die werden ook behandeld. Dat was dus het punt niet. Het had haar gewoon lang genoeg geduurd. Haar leven was allang voltooid, nu moest het maar eens echt ophouden. Of ze leed aan het leven durf ik niet te zeggen, maar haar optimistische instelling was vrijwel verdwenen. Ze wilde echt niet meer.
Het viel haar niet makkelijk dat toe te geven, niet naar zichzelf denk ik, in elk geval niet naar ons, familie, en niet naar de arts. De arts, háár arts, zou haar niet helpen, dat was haar overtuiging na haar bezoek. De NVVE had ook niets beters te bieden dan te stoppen met eten en drinken. Mijn moeder pikte toen wel het idee op medicijnen te verzamelen. Ze kreeg er veel, dus er was genoeg te verzamelen. En dat is wat ze ging doen. Daar was ze naar ons toe ook niet geheimzinnig over. Ze leed liever even wat meer zonder die medicijnen, om er dan later vanaf te kunnen zijn. Zij wilde baas zijn over haar leven.
Een duidelijker bewijs van haar zelfstandigheid en vastbeslotenheid is er niet.

Mijn moeder heeft haar hele leven de regie in handen gehad en gehouden. Dat leven plaatste ze weliswaar volledig in het teken van dienstbaarheid, maar zonder daarbij ooit haar eigenheid op te geven. Juist die combinatie maakte haar zo bijzonder.
Zonder de rol van de moeder en vader die mij op de wereld hebben gezet te bagatelliseren, heeft Moek een buitengewoon bepalende rol gespeeld bij de vorming van wie ik geworden ben, na mijn aanvankelijke valse start. Die rol ben ik me steeds meer en beter gaan realiseren. Onze relatie was verre van symbiotisch, maar er was wel een soort vanzelfsprekendheid in onze omgang, waarin de erkenning van die bijzondere rol tot uitdrukking kwam. Vooral in de laatste jaren.
Toen het duidelijk werd dat mijn moeder vastbesloten was een einde aan haar leven te maken en ook dat ze dat met haar eigen medicijnen waarschijnlijk niet zou bereiken, ontstond voor mij zo’n crisissituatie, dat ik niet langer werkeloos kon blijven toezien. Het idee dat ze zichzelf met haar eigen middelen alleen maar veel narigheid zou berokkenen, zonder haar doel te bereiken, was onverdraaglijk. Gewoon geen optie!

De arts was een gepasseerd station. Er was nu volledig sprake van haar eigen regie. Ik had betrouwbaarder medicijnen en de enige echt actieve rol die ik heb gespeeld is het aanbieden van die werkzame middelen ter vervanging van haar ongeschikte medicijnen. Onder de gegeven omstandigheden was dat de enige mogelijkheid om de kwaliteit van haar leven en sterven zo goed mogelijk te garanderen. Er was geen alternatief en ze aanvaarde mijn aanbod met opluchting. Dat het stiekem moest, omdat er een wet is die dergelijke hulp tot misdaad bestempelt, was vervelend genoeg. Maar zoiets speelt op zo’n moment geen rol. De morele vanzelfsprekendheden van het bestaan, van óns leven domineerden alles. Dat ik haar daardoor alleen heb moeten laten voor ze was overleden was moeilijk, maar ik had weinig keus.
Zes jaar later stellen, zoals OM en rechtbank beide deden, dat ik haar alleen geholpen zou hebben, omdat ik het met die wet niet eens was, is een onbegrijpelijke gotspe.

Wat had ik dan moeten doen? Ik vraag mij werkelijk af, dames en heren op het podium, wat  u gedaan zou hebben in zo’n situatie. U kent nu de verklaring van de huisarts en u weet dus dat de verwachting van mijn moeder en mij over haar correct was! Zij zou niet geholpen hebben. En ook van andere artsen verwachtte zij dat niet. Brongersma was immers nog alom aanwezig.
En terecht ook. De wens van mijn moeder was legitiem, menselijk en niet medisch van aard. Waarom zou een arts daarover moeten oordelen? De stapeling van medische klachten, die de KNMG nu accepteert, is wel een sympathiek gebaar, maar een ongewenste en onterechte medicalisering van wat vooral een existentiële bestaanskeuze is. 

De fixatie op de rol van de arts bij het vrijwillige levenseinde en de medicalisering van het denken over het stervensproces, is begrijpelijk tegen de recente historische achtergrond van de euthanasiewetgeving, omdat artsen de toegang tot de middelen hadden. Maar vanzelfsprekend is dat zeker niet, zoals ook de Commissie Dijkhuis tien jaar geleden al heeft aangegeven.

Ik hoop dat het OM dit keer genuanceerder uit de hoek weet te komen en zuivere argumenten zal hanteren. Dat zou de waardigheid van het onderwerp ten goede komen. Verantwoorde en zorgvuldige zelfdoding kan heel goed zonder medische begeleiding, zoals de praktijk herhaaldelijk bewijst.
Aanwezigheid en goede steun van dierbaren is van groot belang. Voor Moek, de familie en mijzelf was de wijze waarop wij het afscheid hebben kunnen voorbereiden en beleven van grote en blijvende waarde. Alleen de noodzakelijke geheimzinnigheid heeft daar afbeuk aan gedaan.
Als hulp naar zijn ware aard wordt beoordeeld, zou dat de waardigheid van het proces, de  zorgvuldigheid en transparantie alleen maar ten goede komen.
Daarover zou het moeten gaan in dit proces

Albert Heringa

 

MIJN PERSOONLIJKE ARGUMENTEN VOOR HET HOGER BEROEP      2 december 2014

1. Beeldvormingsprobleem. Het OM en de rechtbank baseren hun oordeel deels op het argument dat ik ‘bewust en weloverwogen een keuze heb gemaakt de geldende regels niet in acht te nemen’, omdat ik het daar niet mee eens zou zijn.
Dit beeld is onjuist. Mijn handelen van destijds (2008) wordt beoordeeld met de kennis  over mijn opvattingen van nu, ruim 5 jaar later. Dat klopt niet. Mijn opvattingen en strijdbaarheid zijn ontstaan en gegroeid in de jaren na de openbaarmaking in 2010 en daar kreeg ik veel tijd voor.
Toen de stervenswens van mijn moeder aan de orde kwam, was ik wel op de hoogte van het verbod op de hulp bij zelfdoding, maar ik was er niet mee bezig. Pas toen ik geconfronteerd werd met het risico dat mijn moeder zelf de daad bij haar wens zou voegen, met de door haar bewust opgespaarde, maar ongeschikte eigen medicijnen, heb ik haar een alternatief aangeboden dat zekerder en veiliger was. Ik wilde ook voorkomen dat ze die stap in alle eenzaamheid zou zetten, zoals ze er toen over sprak.
Dat ik daarvoor de wet zou moeten overtreden was voor mij minder zwaar wegend (een minder belangrijk risico) dan het horror-senario dat de innige wens van mijn moeder zou mislukken en uitmonden in veel fysieke en psychische narigheid. Mijn moeder was gerechtigd en wel degelijk in staat dat te doen.
Het vonnis gaat bovendien geheel voorbij aan deze noodtoestand waarmee ik geconfronteerd werd en die de enige reden was om over te gaan tot het geven van daadwerkelijke hulp aan haar. Het noemt die niet eens.
2. Wie moet de regie hebben? OM en rechtbank vinden dat ik stappen had moeten zetten richting andere artsen. Ongeacht de vraag of dat iets zou hebben opgelost (zie 3), negeren zij beide het principiële feit dat mijn moeder in alles de regie had. Misschien niet in alle technische details van de aangeboden hulp, maar wel waar het ging om wezenlijk belangrijke beslissingen. Het was ook alleen aan haar te bepalen of zij nog een andere arts wilde zoeken. Dat wilde ze duidelijk niet. Ze had daar geen vertrouwen in. Ik kon dat wel begrijpen, maar had zelf eigen goede redenen om haar daarin niet op andere gedachten te brengen. Dat was het Arrest-Brongersma.
Hoewel steeds de nadruk gelegd wordt op het belang van de eigen regie van de betrokkene (mijn moeder in dit geval), wordt mij hier als de zoon verweten de regie niet te hebben overgenomen. Dat is niet congruent. Ook art. 294 hinkt hier (in de tegenwoordige context) feitelijk op twee tegenstrijdige gedachten.
3. Brongersma-arrest van kracht en relevant. Ongeacht punt 2, achtte ik het in 2008, toen het Brongersma-arrest nog onverkort staande jurisprudentie was, zinloos een arts te zoeken die bereid zou zijn zijn of haar nek in de strop te steken voor een willekeurige klant. Met die kennis had het voor mij zelfs ook iets onbetamelijks een dergelijk verzoek aan een arts te doen. De wens van mijn moeder had immers geen medische achtergrond en ze viel overduidelijk buiten het medische domein. Dat zij wel haar arts consulteerde was meer de gebruikelijke reflex, dat je voor euthanasie bij een arts moet zijn.
Dat er toen mogelijk een arts zou zijn die eigener beweging bereid was in een vergelijkbaar geval te helpen, viel voor ons buiten de normaal heersende logica en verwachting, waarmee wij te maken hadden. Het enkele voorbeeld waaraan OM en rechtbank refereren, dat feitelijk pas in 2010 werkelijk speelde, bevestigt juist hoe onwaarschijnlijk de kans van slagen was om in 2008 een arts bereid te vinden ‘Brongersma’ naast zich neer te leggen. Dat de rechtbank dit ‘bepaald niet ondenkbaar’ noemt, is dan ook schromelijk overdreven en dus onterecht. Pas in 2011 heeft de KNMG, onder druk van anderen (o.a. ‘Uit Vrije Wil’), haar inzichten verruimd. Mijns inziens overigens op principieel aanvechtbare gronden.
4. WTL als meetlat. OM en Rechtbank gebruiken de WTL als maatlat om mijn handelen aan af te meten. Dat is een onjuiste en zinloze procedure. Die wet is geschreven om condities te formuleren waaronder artsen levensbeëindigend mogen handelen zonder strafbaar te zijn. Dat is een speciale situatie. Ik ben geen arts, dus het is vrij zinloos mijn handelen daaraan te toetsen. Er was geen professionele relatie. Daarom is die exercitie ook onjuist. Ik was geen hulpverlener, maar de zoon, die ongewild en onverwacht in een dwangsituatie belandde, in het bewustzijn dat ook artsen hier geen uitkomst konden bieden. De wet bood mij maar twee opties: niets doen of overtreden. Niets doen was voor mij geen acceptabele optie. (Zie 1)

 

AANVULLENDE VERKLARING VOORAF         24 september 2013, Zutphen

Naar aanleiding van een aantal opmerkingen en vragen uit de vorige zitting en een paar opmerkingen van het OM zou ik graag willen beginnen met een paar verklarende opmerkingen.

De positie van mijn moeder en mijn relatie tot haar
De vorige keer zijn er vragen gesteld over de arts en of ik niet een tweede arts had moeten consulteren. Die vragen zijn gebaseerd op een onjuiste inschatting van de situatie en onze verhouding. Mijn moeder had in alle opzichten de regie. Ik hielp haar waar dat nodig was, maar zij bepaalde welke hulp zij wilde. En dat was zo min mogelijk. ‘In beweging blijven mevrouw Heringa was daarbij het motto dat ze ontleende aan haar Midlarense huisarts. Ze stond liever op om zelf iets te pakken dan mij te vragen iets voor haar te doen of te pakken. Ik hielp haar bij haar financiën maar zij bepaalde wat daarmee moest gebeuren, wie betaald moest worden of een kado moest krijgen en voor hoeveel. Zij regelde de bezoeken aan het ziekenhuis in principe en ik bracht haar daar. Ik was daarbij wel een beetje haar geheugen en uitleg, maar ze wilde wel alles weten en begrijpen al ging het haar soms allemaal wat vlug. Anderen hielpen haar ook en gingen een enkele keer met haar het dorp in om wat kleren te kopen. De keus van wat in het tehuis werd getoond vond ze wat beperkt.
De contacten met de huisarts in Ermelo gebeurden als regel zonder mijn aanwezigheid, behalve die ene keer dat ze mij vroeg erbij te zijn omdat ze haar wilde vragen om euthanasie. De afwerende houding van de arts heeft zij goed in geschat, blijkt ook achteraf. Bij haar is de gedachte aan een tweede arts niet opgekomen. Of we het daar over gehad hebben weet ik niet meer. Wat ik wel weet is dat ik daar zelf ook weinig van verwachtte met het Brongersma-arrest in het achterhoofd. Maar het was ook niet aan mij. Ook de contacten met de NVVE zijn door mij gelegd op haar verzoek. Ik deed voor haar wat ze zelf niet kon of wat ze te ingewikkeld vond. We overlegden wel, maar het initiatief lag bij haar. Dat was een vanzelfsprekendheid. . Zo kregen we opdracht de bakken op het terras van nieuwe planten te voorzien zoals ze dat elk voorjaar deed. Ze wilde in alle opzichten voorkomen dat men in het tehuis de indruk zou krijgen dat ze bezig was er uit te stappen. Het tehuis moest het aan niets kunnen merken. Ze wilde ook niet dat Aafke bloemen meenam bij haar afscheidsbezoek. Ze had er al gekregen en dat zou misschien vragen oproepen en de aandacht vestigen op een speciale gelegenheid.
Die eigengereide onverzettelijkheid was kenmerkend en voor haar waarschijnlijk minder een probleem dan voor ons.
Ik ga hier wat uitvoerig op in, omdat dit voor een goed begrip van de situatie en van mijn rol essentieel is.

De situatie waarin ik moest handelen
Mijn initiatief tot handelen en aandeel in de regie is pas begonnen toen mijn moeder bleek te zijn overgegaan tot het opsparen van al haar medicijnen en aangaf die op een onbewaakt moment te willen innemen, dus zonder afscheid te nemen van ons. Ook dan beperkte het zich nog altijd alleen in het faciliteren van wat ze zelf niet kon.
Wilt u een overtuigender bewijs dan deze actie dat het haar ernst was? Ik niet!  Haar wanhoop werd toen helemaal de mijne. Zeker toen het mij duidelijk werd dat de medicijnen haar waarschijnlijk van de wal in de sloot zouden helpen, rees bij mij een paniek gevoel. Hier moest gehandeld worden om ongelukken te voorkomen. Dit was een noodtoestand
Had het enige zin voor mij op dat moment naar een arts te gaan, welke dan ook? Nee, natuurlijk niet, want dat die iets zouden kunnen doen was uitgesloten.
Ik dacht na over wat ik zelf kon doen en zo kwam ik bij mijn eigen Nivaquine pillen. In die zelfde tijd ontving ik ook het WOZZ-boekje en zag ik daarin de reële mogelijkheid iets met die pillen te doen.
Ik moest iets doen, er was geen reële keus. Wat zou u mevrouw de officier in zo’n geval doen? In het wetboek bladeren voor een oplossing? Zou die iets te bieden hebben gehad? Er was geen ontkomen aan, de wet moest hier wijken voor het lenigen van een acute nood. De wet red geen levens en de wet beschermd ons niet. Dat zijn mensen die weten te helpen. Het risico van straf was van ondergeschikt belang. Het risico van een onverantwoorde wanhoopsdaad levensgroot. Ik bood mijn moeder de oplossing aan die ik voor handen had. Had ik een alternatief? Is de letter van de wet waardiger dan een mislukte poging uit het leven te stappen? U zegt het maar! Ik zag die niet!

Methode
Er wordt nogal al eens gerefereerd, o.a door deskundige Manschot (‘inhumaan’), aan de grote hoeveelheid pillen die mijn moeder in korte tijd moest slikken. Het waren er 161. Dat is veel, maar 125 daarvan at ze met een bakje yoghurt , haast als een bakje muesli. Alleen de laatste 36 at ze één voor één. Dat relativeert het m.i. wel.

Gezondheidstoestand
Moek was niet ziek in de normale betekenis van het woord. Er was wel sprake van verschillende klachten die vooral met uitvals- en aftakelingsverschijnselen te maken
hadden, die medische aandacht vereisten. Die bestonden al jaren. Sommige namen toe. In hoeverre deze onomkeerbare en onvermijdelijke aftakeling heeft bijgedragen aan haar doodswens is moeilijk uit te maken. Waarschijnlijk heeft het een rol gespeeld en was er voor haar misschien een grens bereikt.
Ondanks de onderliggende lichamelijke klachten kwam haar doodswens niet aanwijsbaar voort uit de medische kwalen. Belangrijk was waarschijnlijk vooral haar angst de regie te verliezen die voortkwam uit een toenemende verstrooidheid. In mijn ogen viel dat erg mee, maar zelf nam ze die serieus. Naast die angst en het toenemende gebrek aan energie, groeide ook de beleving van nutteloos te zijn, veel geld te kosten en er geen plezier meer aan te ervaren. Waarom al die moeite nog? Zonde van de energie en het geld. Wij willen dat liever niet horen
Hier was sprake van een existentieel beleven waar een arts geen specifieke deskundigheid heeft. In hoeverre mijn moeder ‘leed aan het leven’ durf ik niet te zeggen, maar klaar met het leven was ze duidelijk wel. En mag dat na 100 jaar?

Het lijkt me niettemin zinvol nog iets te zeggen over haar gezondheidstoestand, omdat daar verschillende beelden van blijken te bestaan, die enige correctie behoeven. Voor een duidelijker inzicht in haar kwalen, hier een overzicht:

  • Ze was aan één oog blind en het andere had macula-degeneratie en staar, waardoor haar zicht klein en slecht was, maar een staaroperatie na haar verhuizing naar Ermelo gaf bepaald verbetering. Met een handloep kon ze lezen en aantekeningen maken, wat ze regelmatig deed. Met haar beperkte blikveld kon ze soms toevallig wel een speld op de grond zien liggen, maar niet zoeken. Boeken las ze al lang niet meer, maar het beluisteren van gesproken boeken was een van haar belangrijkste  tijdpasseringen waarvan ze genoot. TV had ze nog wel. Wat ze precies kon zien is moeilijk te zeggen, maar ze gebruikte hem.
  • Haar oren waren goed genoeg voor een normale conversatie al waren er bepaalde mensen bij wie ze haar gehoortoestel wel nodig had, bij mij en Aafke bijvoorbeeld. Meer mensen tegelijk vond ze moeilijk te volgen, maar dat is een bekend verschijnsel bij gehoortoestellen.
  • Het meeste last had ze van haar osteoporose. Er waren momenten dat ze verging van de pijn. Dat kon ze vermijden door op bed te gaan liggen. Maar op de meeste andere momenten had ze daar niet of weinig last van, al dan niet geholpen door pijnstillers.
  • Er was sprake van chronische bloedarmoede door een slecht werkende bijnier en daarvoor kreeg ze de laatste jaren wekelijkse epoinjecties. Ook haar beenmerg dat daarmee tot de aanmaak van bloedcellen wordt aangezet, begon het zelf langzaam op te geven. Ik wist dat het niet lang zou duren voor ze aan regelmatige bloedtransfusies zou moeten gaan beginnen, maar die wetenschap had ik voor me gehouden om haar niet onnodig ongerust te maken. Ze heeft een paar weken voor ze overleed aangegeven aan haar huisarts daar mee te willen stoppen. Wanneer dat was weet ik niet meer precies.
  • De huisarts spreekt van hartfalen. Die vage term zou duiden op een verminderde pompwerking van het hart met o.a. kortademigheid als gevolg. Het kan zijn dat ze daar medicatie voor kreeg. Ik was verbaast dat te horen. Ik heb nooit iets gehoord of gemerkt van hartklachten en in elk geval is het nooit van dien aard geweest dat er sprake was van een cardioloog. Ook de ‘pijn op de borst’ die mijn dochter in de film noemt, die als regel met hartklachten worden geassocieerd, berusten op andere zaken of op een verwarring met verhalen over mijn biologische moeder, die inderdaad wel last had van ‘pijn op de borst’ door angina pectoris.
  • Ze had een dunne en kwetsbare huid die gemakkelijk kapot ging en dan erg bloedde. Niet ernstig, wel lastig als ze zich verwondde door de bloederigheid.
  • Verder was er in toenemende mate sprake van slaperigheid, afnemende energie, verstrooidheid en momenten van incontinentie.

Uitlatingen van het OM
De lange tijd die het OM heeft nodig gehad om over mijn zaak te beslissen heb ik opgevat als een teken dat zij zich van de veranderingen in de samenleving bewust is en zocht naar de manier daaraan recht te doen. Ondanks alle verbazingwekkende kronkels, die het OM daarbij soms toonde, en de merkwaardige geheimzinnigheid, die weinig recht doet aan de naam Openbaar Ministerie, beschouw ik haar beslissing mij te vervolgen als een daad van moed, zeker gezien het ‘afbreuk risico’ dat ze daarbij volgens haar persbericht denkt te kunnen lopen. Ik zie vooral het ‘opbouw risico’, namelijk de mogelijkheid die het OM hiermee geschapen heeft om de onmiskenbaar gegroeide kloof tussen wet en opvattingen in de samenleving te helpen dichten, waar de wetgevende macht, het parlement, het vooralsnog laat afweten en zich liever verliest in de sociaaleconomische problematiek.
De uitlatingen van de persofficier van het OM in de afgelopen weken, tonen nog wel aan hoe aarzelend en onzeker het is op dit feitelijk voor haar oneigenlijke pad.

Zo noemt hij deze zaak uniek, maar niet bijzonder. Een ongebruikelijk filosofische karakterisering voor het OM, die tot nadenken stemt. Verklaart dat wellicht de bijna drie jaar die het OM nodig had om tot een beslissing te komen?

Ik zou me ‘boven’ de wet geplaatst hebben. Dat lijkt me te veel eer. ‘Buiten’ is m.i. meer passend. Maar in uw beroepsijver vergeet u dat er naast de wet die geschreven is met dode letters op wit papier, er ook de universele, levende wetten zijn van barmhartigheid en medemenselijkheid. Dat zijn inderdaad hogere wetten, die ook voor het OM gelden. De uitleg daarvan verandert inderdaad. Maar als u deze wetten negeert, plaatst het OM zich dan niet buiten de samenleving en de ontwikkelingen die daar plaatsvinden?
Ik heb meerdere malen aangegeven dat ik wel wist dat mijn hulp strafbaar is, maar dat ik daar toen niet mee bezig was. Dat kan overgekomen zijn als arrogant en een miskenning van het belang van onze rechtsregels. Daarvan is volstrekt geen sprake;  integendeel. Zoals ik al aangaf zijn er ook andere, ongeschreven maar universele wetten waaraan ik me in geweten te houden heb.

Het OM benadrukt dat het ‘recht op leven’ gerespecteerd, dient te worden, ook onder moeilijke omstandigheden. Dat beaam ik volledig. Juist daarom heb ik mijn moeder geholpen. Het gaat immers om een recht, en daar kun je afstand van doen. Zo niet, dan verdampt het recht en ontstaat een plicht. Leven is meer dan een biologisch proces, de mens meer dan een zak organen en een kloppend hart.
Het gaat om de kwaliteit en de zinnigheid van het leven. Hoe worden die beleefd en ervaren? De enige die daarover iets zinnig kan zeggen is de persoon in kwestie. Niemand anders. Moek in dit geval. Daar kan niemand om heen, ik niet en zeker een neutrale overheid niet.

Refererend aan dat ‘recht op leven, dat ook onder moeilijke omstandigheden gerespecteerd dient te worden’, kan ik niet nalaten een nogal cynische zijsprong te maken en te herinneren aan de vele standrechtelijke executies in Indonesië, waarvoor Nederland onlangs eindelijk haar excuses heeft aangeboden. Dat is wel andere koek. Dan gaat het zelfs om oorlogsmisdaden.
Heeft het OM ooit enige actie ondernomen om dit geschonden recht op leven aan de orde te stellen? Neemt u het ‘recht op leven’ zelf wel echt serieus? Met welke maat meet u eigenlijk?

Mijn relatie tot de wet
Ik ben op gegroeid en opgevoed in een omgeving waar grote waarde werd gehecht aan een goed en verantwoord geregelde samenleving waarin solidariteit een kernwaarde is. Ik werd omgeven met een sfeer waarin het dragen van eigen verantwoordelijkheid benadrukt werd. Eigen verantwoordelijkheid voor wat ik deed, maar ook voor wat ik niet deed, achterwege liet. Natuurlijk speelden de tragische oorlogservaringen van mijn ouders en anderen daarbij een belangrijke rol, maar niet in de zin dat de grenzen van goed en fout scherp getrokken werden. Juist de relativiteit van die begrippen stond op de voorgrond. Ik herinner mij de verwarrende ervaring, als zesjarige schat ik, dat er ook goede Duitsers bleken te bestaan. Ethische dilemma’s, zoals het moeten kiezen uit twee kwaden werden niet uit de weggegaan.

Ook in het naoorlogse maatschappelijke debat werd benadrukt dat iedereen zijn eigen morele verantwoordelijkheid behoud, ook als de autoriteiten je tot immorele daden proberen aan te zetten. De ‘burgemeester in oorlogstijd’ werd een begrip. ‘Befehl ist befehl’ werd afgewezen als een geldig excuus voor immorele daden.
De eigen verantwoordelijkheid kan niet worden afgestaan en overgedragen. Dat geldt ook ten aanzien van de wetsregels.
Voor mij speelde dat met name concreet, toen ik werd opgeroepen voor de militaire keuring. Ik heb toen aangegeven te zullen gaan dienstweigeren. Door uitstel en werk in het onderwijs heb ik dat nooit echt hoeven doen, maar de intentie was er zeker. Je wordt dan wel gedwongen je ethische overwegingen in buitengewoon absolute   termen te verwoorden, maar als 17- of 18-jarige lukt dat dan wel. Ik sta daar nog altijd achter, al mag ik nu genuanceerder zijn.

Reflextie over de relatie tussen de wet en de maatschappij
Ook als niet juridisch geschoold burger denk ik natuurlijk na over de inrichting van onze samenleving en de normen waarop die is en moet worden gebaseerd.
Wetten beschouw ik als de noodzakelijke verkeersregels voor een maatschappij. Het kan niet zonder, maar ze zijn tegelijk onvermijdelijk grover en rechtlijniger dan zelfs bij een eenvoudige samenleving feitelijk past. Voor onze pluriforme maatschappij geldt dat des te meer. Dat maakt een soepele toepassing van de wetten noodzakelijk, om aan die complexiteit recht te doen. Jurisprudentie is daarbij één manier om de scherpe kanten van de wetsregels af te stemmen op de dagelijkse praktijk en de ontwikkelingen daarin, maar ook dat is slechts een doekje voor het bloeden, die onvoldoende kan reageren op de diversiteit van de werkelijkheid. Bovendien verandert de samenleving en de daarin levende opvattingen voortdurend en de wetten dienen daarop te worden afgestemd. De Engelse rechter Lowry verwoorde dat in 1993 in een min of meer verwante zaak, kernachtig als volgt:
‘Met name op het gebied van het strafrecht, waarbij het gaat om regels voor  ons gedrag, is het belangrijk dat de opvattingen die in de samenleving bestaan  over wat goed is, samenvallen met die over wat wettelijk is toegestaan. Een  van de taken van de wetgevers is de afwijkingen die daartussen ontstaan te  achterhalen en de stappen te nemen die nodig zijn om de kloof te dichten.’

Het OM moet de wet handhaven, dat is haar taak. Maar de samenleving is in 125 jaar wel veranderd. Bent u zich daarvan wel bewust? Bent u niet teveel gebiologeerd door de dode letters op papier? Zou u niet wat meer kunnen letten op wat echt leeft en beweegt in de samenleving?
Natuurlijk bent u niet de wetgever. Die lijkt echter te veel in beslag genomen door haar oppervlakkige politieke spelletjes, die haar verblindt en van haar diepere taak afleidt.
U, als OM, kunt wel in alle rust waarnemen wat er gaande is, los van de tijdelijke prioriteiten van toevallige bewindslieden. Ook u mevrouw hoeft uw hart niet het zwijgen op te leggen, omdat generale directeuren u al een negentiende eeuws sprookje hebben ingefluisterd. Sterven is geen noodlot, het hoort onverbrekelijk bij de kleur van het leven. U kunt er aan bijdragen dat een ‘ happy end’ geen illusie is. Dat iedereen een waardig levenseinde kan hebben, zoals hij dat wenst. Dan kan een nieuwe generatie het stokje op een mooie, warme wijze overnemen, zoals mijn jongste kleindochter Yvette Marie dat bijna letterlijk van mijn moeder kreeg.

Een belangrijk kenmerk van onze democratische samenleving is de waarde die wordt toegekend aan de belangen van minderheden. Om onduidelijke redenen krijgen de inzichten en belangen van groepen die pleiten voor meer mogelijkheden voor een zelfgekozen levenseinde politiek weinig ruimte, zelfs wanneer het gaat om zeer aanzienlijke minderheden of zelfs meerderheden. Toch staan hun belangen die van anderen niet in de weg, of schaden die. De politiek laat zich hier van haar zwakste kant zien. De geschiedenis van de euthanasie in Nederland laat zien hoe juristen het gat kunnen opvullen dat de politiek laat liggen. Het is mijn hoop dat justitie ook nu die handschoen wil oppakken om de politiek de weg te wijzen.

Mijn relatie met het OM
Tot slot een paar opmerkingen die niet de zaak zelf betreffen, maar over de relatie tussen het OM en mij. Die ontbreekt volledig
Het mag praktisch zijn, maar het stoort mij dat ik door het OM compleet wordt genegeerd. Ik wordt beschouwd als een ding, waarmee niet te communiceren valt. Dat alles alleen maar mag lopen via de raadsman, dat voelt als buitengewoon. afstandelijk en depersonaliserend. Mijn menselijkheid  wordt als het ware ontkend. Ik ben toch de persoon om wie het gaat, niet de advocaat? Ik ben toch verantwoordelijk voor het contact met mijn advocaat, ik ben toch niet zijn raadsman? Waarom kan dat niet anders? Er zitten belangrijke gevaren van bedrijfsblindheid aan deze gegroeide gewoontes, hoe begrijpelijk ze ook mogen zijn.

In de stukken is mijn moeder het ‘slachtoffer’, pillen en geluidsopnamen, die ik op verzoek ter beschikking heb gesteld zijn ‘in beslag genomen’ en er is meer van zulk vervreemdend woordgebruik. Mag je hier wel spreken van een slachtoffer? Spreekt daaruit niet een insinuerende vooringenomenheid? Ik wil het allemaal wel begrijpen, maar ik vraag me af of dit werkelijk niet beter, normaler kan.

De ‘tenlastelegging’ kreeg ik als een slecht leestbare getypte doorslag. Onbegrijpelijk in deze tijd van computers en printers. Is dat niet een verontrustend symptoom van een versteende organisatie. Zijn uw kijk op de samenleving, uw kennis van leven en dood net zo stil blijven staan? Ik houd mijn hart vast.

Het Openbaar Ministerie vertegenwoordigt de samenleving. Hoe rechtvaardigt zij dan haar grote geheimzinnigheid? Waarom mogen wij bijvoorbeeld niet weten wie het als medisch-ethicus heeft geconsulteerd, laat staan wat die heeft gezegd. Toch niet onbelangrijk. Moeilijk te begrijpen en te volgen.

Tot slot nog dit: ik ben door de politie steeds zeer correct, vriendelijk en respectvol behandeld. Ik zeg dit met nadruk, omdat wij op grond van eerdere ervaringen elders vreesden, dat politie en OM wel eens intimiderende en criminaliserende zouden kunnen op te treden.
Natuurlijk is het goed dat er onderzocht wordt of er bij een niet-natuurlijk sterfgeval sprake is van misstanden, maar het zou het OM sieren als zij bij melding van een zelfdoding of zelfeuthanasie, dit op een discrete en respectvolle wijze zouden doen. Zelfdodingen zijn altijd ingrijpender voor de nabestaanden dan normale sterfgevallen toch al zijn. Het criminaliseren  van zelfdodingen draagt niet bij aan de gewenste openheid en transparantie bij het sterven. Meer respect voor burger en zijn gevoelens, zal ook het OM goed doen.

(Deze ‘Verklaring vooraf’ is vrijwel letterlijk voorgelezen bij het begin van deze procesdag op de laatste drie delen na, die wel bij de griffier zijn ingeleverd.)

Albert Heringa

 

 

SLOTWOORD              24 september 2013, Zutphen

Ik sta hier met een vreemd gevoel.
De wet zegt dat ik iets strafbaars heb gedaan door mijn moeder te helpen bij het realiseren van haar eigen dringende wens te sterven. Ik kan en wil niet ontkennen dat ik haar geholpen heb, maar ik heb in de verste verten niet het gevoel iets te hebben gedaan wat niet mocht. 
 
In tegendeel. Ik heb gedaan wat moest worden gedaan. Er was geen keus. De wens van mijn moeder was legitiem. Wie kan dat tegenspreken? Er was geen andere, voor haar begaanbare weg. U kunt allemaal alternatieven aandragen, ze zijn theoretisch, niet op haar van toepassing en dus ook niet op mij. Van mij te eisen dat ik haar aan haar lot had moeten overlaten, dat ik haar haar gang had moeten laten gaan met de ongeschikte middelen die ze ter beschikking had, met alle gevolgen van dien, is onzedelijk en immoreel. Dan onttrekt u zich aan die universele menselijke wet, die barmhartigheid en medemenselijkheid voorop stelt. Dan zijn dode lettertjes voor u belangrijker dan een waardig leven en sterven. Sorry mensen, zo zit ik niet in elkaar.
 
Natuurlijk wist ik dat mijn hulp strafbaar was, al kende ik de details niet. Ik ben geen held, en dus heb alles gedaan, net als mijn moeder zelf, om haar zelfdoding geheim te houden. Ik zat niet op straf te wachten en het ging -ook in haar ogen- eigenlijk niemand iets aan buiten de familie. Dat het niet ontdekt is komt misschien omdat het toevallig niet haar huisarts was die haar overlijden moest vaststellen. Als die al heeft getwijfeld, dan heeft zij zich stil gehouden. Dit alles was een welkome verrassing.
 
Dat ik hier nu toch sta heeft te maken met grotere maatschappelijke belangen dan mijn eenvoudige ziel. Belangen waar de wet niet in voorziet, die ze zelfs dwarsboomt. Namelijk de belangen van ouderen die hun leven voltooid achten of daaraan lijden. De wet hanteert alleen medische criteria en vergeet dat sterven geen medisch verschijnsel is en vroeger ook nooit als zodanig is benaderd. 
De wet ontvoogd de burgers en heeft  ze onder curatele gezet van lieden die de mens hoofdzakelijk van zijn lichamelijke kant benaderen. De totale mens blijft bij hen buiten zicht of wordt zelfs gewantrouwd. Daar gaat het om! Mijn hulp is eigenlijk bijzaak, maar staat nu op de voorgrond.
                                                                                                                            ******
Met het formuleren van de eis, mevrouw de officier. spreekt uw mond onvermijdelijk de woorden van directeuren generaal, die misschien al vast stonden voor wij aan deze dag begonnen.
De eis van drie maanden voorwaardelijk is slecht onderbouwde blinde repressie. U blijft de strafbaarheid voorop stellen. (Deze zin is niet zo uitgesproken, maar is een korte samenvatting van wat ik wilde zeggen en gezegd heb) 
U redeneert nog vanuit een versteende negentiende-eeuwse moraal. U gaat uit van de status quo, en uw eigen organisatie die beschermd moet worden tegen het afbreukrisico.
Het is natuurlijk uw taak de wet te beschermen. Maar waar gaat het hier om?
U laat de kans lopen bij te dragen aan een samenleving van verantwoordelijke zelfstandige burgers. Want als we niet mogen beschikken over onze eigen waardige dood, als we onze geliefden en anderen daarbij niet mogen helpen of door hen geholpen mogen worden, wat stelt die zelfstandigheid dan wezenlijk nog voor? 
U verzuimt om aan te geven hoe een zelfdoding kan worden voorkomen of hoe dat op een waardige en verantwoorde wijze kan gebeuren. U verschuilt zich achter het medische model dat duidelijk niet voldoet. U begrijpt slecht wat er in de samenleving, uit wier naam u spreekt, leeft.
Dit is een gemiste kans om op constructieve wijze een voorzet te geven aan de verantwoordelijke politiek. En in dat licht kan uw eis verouderd, ongepast en misschien wel barbaars genoemd worden. 
                                                                                                                               ******
Mijne heren rechters, ik begrijp goed dat ook u feitelijk niet in de positie verkeert om een oordeel over een wetsartikel te vellen. U bent gebonden aan de bestaande wet. Dat maakt uw taak in dit geval waarschijnlijk lastig. Als u werkelijk vindt dat ik iets verkeerds heb gedaan dan moet u mij veroordelen, al dan niet conform de eis. 
Ik zal u dan niet begrijpen. 
 
Ik hoop echter dat u daarentegen, met zo velen in deze samenleving, begrip hebt voor de nood van mijn moeder en de keuze die ik daarbij gemaakt heb. Ik hoop tevens dat u erkent dat ik dat op zorgvuldig wijze gedaan heb. In dat geval zult u beseffen en oordelen, dat ik geen andere keus had en dat mij dus niets strafbaars te verwijten is.
Dat zal dan ook een signaal aan de samenleving kunnen geven om te zoeken naar de vorm waarin die grotere ruimte aan ouderen kan worden geven om op verantwoorde wijze zelf of met hulp van naasten of anderen een waardig levenseinde te verzorgen. Dan kunnen criteria geformuleerd worden waaraan een zorgvuldige hulp moet voldoen.
Dan zal ik gelukkig zijn.
 
Mijne heren rechters, ik wens u alle mogelijke wijsheid toe bij het afwegen van uw oordeel. Wat mij betreft prevaleert het maatschappelijke belang, maar dan wel in die zin dat een recht op leven niet verwordt tot een plicht tot leven Het zal u duidelijk zijn dat ik uw oordeel nieuwsgierig en verwachtingsvol tegemoet zie.
 
Ik heb gezegd. Dank u.
Albert Heringa
 
(Het eerste en laatste deel is vrijwel letterlijk uitgesproken. Het middeldeel, dat voorbereid was met een andere verwachting is deels herzien en hier achteraf vervangen door een korte samenvatting van wat ik ongeveer wilde zeggen maar achteraf niet meer precies paraat heb)